Sunday, 29 May 2022

Tijdloze wijsheid: reflecties over vlag en land

Als Memorial Day, D-Day en 4 juli in aantocht zijn, denk ik vaak aan de woorden van John Adams: “Onthoud echter, dat vrijheid op alle mogelijke manieren moet worden ondersteund. Wij hebben er recht op, ontleend aan onze Maker. Maar als we dat niet hadden, hebben onze vaders het voor ons verdiend en gekocht, ten koste van hun gemak, hun landgoederen, hun plezier en hun bloed.”

Telkens als ik denk aan de mannen en vrouwen die hun bloed hebben vergoten voor de vrijheid en veiligheid van mijn familie, mijn vrienden en mijzelf, moet ik ook denken aan de krachtige woorden van Jezus: “Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat een man zijn leven geeft voor zijn vrienden.”

Nu wij, Amerikanen, officieel aan het zomerseizoen beginnen, kan het gemakkelijk zijn om te vergeten wat zo weinigen hebben betaald terwille van zovelen, waardoor wij zulke voorrechten kunnen genieten, zelfs in deze zorgelijke tijden. Te midden van de vreugde en opluchting die het begin van de zomer van 2021 met zich meebrengt – vooral na een lange pandemie – wilde ik een krachtig verhaal met u delen dat ik onlangs ontdekte over de historische oorsprong van Memorial Day.

Memorial Day werd in 1971 een officiële federale feestdag. Maar de oorsprong ervan gaat terug tot de nasleep van de Burgeroorlog, die tot op de dag van vandaag het bloedigste conflict van ons land is.

Daar leerde ik over een opmerkelijke gebeurtenis die plaatsvond op een renbaan in Charleston, South Carolina, in april 1865. Geconfedereerde generaal Robert E. Lee had zich weken daarvoor overgegeven. De oorlog zou officieel en volledig voorbij zijn in juni, maar praktisch gezien was het al voorbij.

De renbaan heette de Washington Race Course and Jockey Club. Tijdens de oorlog had de Confederatie de racebaan gebruikt om gevangenen op te sluiten. Bijna 300 van hen stierven aan ziektes en blootstelling in de openluchtgevangenis. Geen van hen kreeg een fatsoenlijke begrafenis – in plaats daarvan werden hun lichamen in een nabijgelegen massagraf gegooid.

Toen de oorlog was afgelopen, vonden sommige mensen – voormalige slaven – dit volkomen onaanvaardbaar. Velen van hen gingen naar de renbaan, groeven de lichamen op en gaven ze een fatsoenlijke begrafenis op een nieuwe begraafplaats op dezelfde locatie. Ze plaatsten een witgekalkte omheining rond de begraafplaats en schreven er de woorden “Martelaren van de renbaan” op. Deze voormalige slaven wisten dat deze mannen waren gestorven voor hun bevrijding, en zij eerden hun offers op slechts enkele kilometers afstand van de plek waar de Burgeroorlog was begonnen.

Zoals in The New York Tribune en The Charleston Courier werd bericht, kwamen slechts een week later, op 1 mei 1865, nog meer mensen – ongeveer 10.000. Het waren bijna allemaal Afro-Amerikanen, meestal bevrijde slaven, terwijl sommigen blanke missionarissen waren. Drieduizend zwarte kinderen brachten boeketten bloemen om de gesneuvelden te eren en zongen daarbij “John Brown’s Body” – een populair oorlogslied van de Unie over de beroemde abolitionist John Brown. Zwarte predikanten waren aanwezig en droegen bijbelteksten voor. Veteranen van verschillende zwarte regimenten die tijdens de oorlog dienden waren ook aanwezig en marcheerden ter ere van hun gesneuvelde kameraden.

Dit evenement was de allereerste “Memorial Day” herdenking in de geschiedenis van ons land. Bevrijde slaven organiseerden deze herdenking en soortgelijke evenementen ten minste een jaar eerder dan andere Amerikaanse steden, en drie jaar eerder dan op nationaal niveau.

In 1966 erkende de federale regering officieel Waterloo, New York, als de geboorteplaats van Memorial Day. Maar dankzij historici die dit vroegere verhaal ontdekten, erkennen velen nu dat deze jaarlijkse “heilige dag” niet begon in noordelijke steden onder overwegend blanke Amerikanen, maar onder zwarte Amerikanen die bevrijd waren door de soldaten die zij eerden, zowel zwart als blank. Het was hun dankbaarheid voor hen die het ultieme offer voor hun vrijheid hadden gebracht, die Memorial Day deed ontstaan.

Ik vond het bemoedigend om dit verhaal te leren kennen, want het laat zien hoe leeg, onwetend en hoogmoedig de ras-haters van alle kleuren werkelijk zijn. Zij, die nooit geketend zijn geweest, die naar mondiale en historische maatstaven rijk zijn, die meer vrijheid hebben genoten dan welke generatie ook in de geschiedenis, lezen de rest van ons de les over waarom Amerika geen respect en bewondering verdient. Al die tijd waren het voormalige slaven die de offers en de vlag eerden, die zij echter vandaag onteren. Zij die in ketenen leefden kenden de waarde van ons land, zijn vlag en de mannen en vrouwen die onder zijn vlag zijn gestorven voor onze vrijheid – niet omdat het volmaakt was, maar om waar het voor stond en om wat het wilde worden. Degenen die hen tot slaven maakten waren degenen die de met sterren bezaaide vlag en de beginselen van 1776 ontvluchtten, terwijl degenen die hen bevrijdden voor die vlag en die beginselen vochten.

Wat een scherpe berisping voor degenen wier trots en narcisme dagelijks worden verergerd door hun nog betreurenswaardiger onwetendheid – een brouwsel dat zo giftig is dat velen die nobele en rechtvaardige liefde voor het land hebben opgegeven – een liefde die degenen die werkelijk onderdrukt en geketend geweest zijn nooit zijn vergeten. Zij waren het tenslotte die Memorial Day hebben ingesteld.

Moge hun voorbeeld degenen onder ons die nooit in ketenen hebben geleefd, inspireren om zich nooit te laten misleiden door de leugen dat het eigen land haten de manier zou zijn om het beter te maken.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (29 juni 2021): Timeless Wisdom: Reflections on Flag and Country

Tijdloze wijsheid: ‘maar boven alles,’ vaderlijk advies van John Adams

Een van mijn favorieten onder de stichters van de Verenigde Staten is John Adams. Naar mijn mening was hij niet alleen de meest intellectueel briljante van de stichters maar had hij ook de meeste inzichten. Hij had zowel grote kennis als grote wijsheid. Hij bekeek de wereld niet door een roze bril. En toch was hij geen cynicus, ondanks het feit dat hij begrijpelijke redenen had om er een te zijn.

Adams was zeer belezen, vooral in geschiedenis. Hij sprak vloeiend verschillende talen, waaronder zeer goed Latijn, en kon de Griekse en Romeinse klassieken in hun oorspronkelijke taal lezen. Bij het aangaan van de uitdagingen die noodzakelijkerwijs gepaard gaan met het vestigen van de onafhankelijkheid van een land en het oprichten van de stichtende instellingen daarvan, keek hij steevast naar de geschiedenis als leidraad, en kon hij talloze voorbeelden aanhalen uit verschillende naties als voorbeelden om na te volgen of te vermijden.

Maar een van de dingen die mij het meest tot hem aantrokken was de manier waarop hij schreef aan zijn kinderen, in het bijzonder aan zijn oudste zoon, John Quincy Adams, die later (onder andere) congreslid, staatssecretaris en president van de Verenigde Staten zou worden. Adams nam John Quincy met zich mee toen hij in 1778 naar Europa ging als Amerika’s minister in Frankrijk. De redenen daarvoor werden misschien het best verwoord door zijn moeder, Abigail Adams, in een van haar eerste brieven aan de 10-jarige jongen bij zijn aankomst in Parijs: “Verbeter uw inzicht om nuttige kennis en deugd te verwerven, waardoor u een sieraad voor de samenleving, een eer voor uw land en een zegen voor uw ouders zult worden.” Deel uitmaken van de Adams-familie betekende dat openbare dienstverlening zo goed als vanzelfsprekend was.

Een van mijn favoriete brieven van Adams aan zijn zoon werd geschreven in 1782. De vader was in Amsterdam en de zoon was in St. Petersburg, waar hij werkte als secretaris van de Amerikaanse ambassadeur in Rusland. Adams prees zijn zoon eerst over meer praktische zaken:

“Ik ben om vele redenen blij dat je Duits leert, maar vooral omdat mij verteld is dat wetenschap en literatuur op dit moment in Duitsland meer bloeien dan waar dan ook. Een verscheidenheid van talen kan geen kwaad, tenzij je er een gewoonte van zou maken meer op woorden dan op dingen te letten.”

Ervoor zorgen dat zijn zoon een polyglot was, was belangrijk voor Adams, omdat het hem niet alleen in staat zou stellen een betere diplomaat te worden, maar ook een betere lezer van klassieke teksten – de belangrijkste bron van zijn eigen opvoeding en die van veel van de stichters zelf. Maar, zoals hij benadrukte tegenover John Quincy, het doel van taal is om dingen te beschrijven, en zo de werkelijkheid beter te begrijpen, en dat moest zijn focus zijn.

Maar de tweede (en laatste) paragraaf is waar het echte goud zit:

“Maar, mijn lieve jongen, boven alles, bewaar je onschuld en een zuiver geweten. Je zeden zijn zowel voor jezelf als voor de wereld van meer belang dan alle talen en alle wetenschappen. De minste smet op je karakter zal je geluk meer schaden dan alle prestaties het goed zullen doen.”

Hier zien we de essentie van John Adams in zijn begrip van de voorrang van het morele boven het praktische en het doelmatige. Zoals hij wist dat een vrije republiek een morele basis nodig had om te overleven, zo wist hij dat dezelfde waarheid van toepassing was op individuen. Zowel hij als Abigail leerden John Quincy op talrijke plaatsen dat niet alleen het morele essentieel was voor geluk, maar dat hij in dit leven verantwoording aan God moest afleggen voor zijn gedrag.

Inderdaad, iedereen die aan zelfreflectie doet, weet dat dit waar is. Zoals Benjamin Franklin zei in de 1741 editie van Poor Richard’s Almanac, “een goed geweten is een voortdurende Kerstmis”. Doen wat we weten dat goed is, is essentieel voor een gezond gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen. Een verdeeld geweten is een weg naar onzekerheid, angst en diep ongelukkig zijn. Ondanks dat de weg ernaar toe niet makkelijk is, zijn we geprogrammeerd om het goede te zoeken.

En wat een les voor ons allemaal om over na te denken, vooral in een tijd waarin ons onderwijssysteem is ingehaald door een technocratische en economische visie, alsof het primaire en essentiële doel van de opleiding is om kinderen alleen maar economisch productief te maken, in plaats van hen te trainen in deugdzaamheid! Het is geen wonder dat depressies en angsten onder de jeugd een recordhoogte bereiken.

Maar zoals John Adams wist – en zoals hij zijn zoon leerde in dit advies – is moraliteit veel belangrijker voor geluk dan productiviteit, zowel in dit leven als in het volgende.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (16 juni 2021): Timeless Wisdom: ‘But Above All Things,’ Fatherly Advice From John Adams

Tijdloze Wijsheid: waarom de grondleggers van de Verenigde Staten zeiden dat je geschiedenis moet studeren

Als er iets is wat de grondleggers van de Verenigde Staten voortdurend herhaalden, dan was het wel dat het bestuderen van de geschiedenis één van de belangrijkste dingen is. Per slot van rekening bestaat de mensheid al veel langer dan eender wie onder ons. Onze soort heeft duizenden jaren ervaring achter de rug. Het ligt voor de hand dat er veel wijsheid te leren valt door die ervaring te bestuderen. Dat is wat onze stichters deden en daarom drongen zij erop aan dat toekomstige generaties hetzelfde zouden doen om onze instellingen in stand te houden.

James Madison, bijvoorbeeld, noemde geschiedenis “een onuitputtelijke bron van vermaak en onderricht”. Inderdaad putte hij, samen met Alexander Hamilton en John Jay, uit deze “onuitputtelijke bron” in hun grote werk, The Federalist Papers. Het was uit die “onuitputtelijke bron” dat de grondleggers putten toen zij onze grondwet ontwierpen, en de reden waarom het de oudste levende geschreven grondwet in de geschiedenis is gebleven.

Ook John Adams drong aan op het belang van het bestuderen van de geschiedenis. Ontelbare citaten zouden als bewijs kunnen dienen, maar een citaat dat vaak over het hoofd wordt gezien, komt uit zijn begintijd. Hij schreef in de stem van de vroege puriteinse gouverneur van Massachusetts, William Bradford, een man die hij diep bewonderde.

In zijn stem vatte hij het soort kennis samen dat zijn New England voorouders volgens hem bezaten, en dat alle generaties moeten bezitten om vrij te zijn: “De geschiedenis van de naties en van de mensheid was ons bekend; en wij beschouwden de soort hoofdzakelijk in relatie tot het systeem van de grote natuur, en haar geheel perfecte auteur. Als gevolg van zulke overpeinzingen was het de onverdroten inspanning van ons leven, om een maatschappij op te richten, gebaseerd op Engelse, humane en christelijke principes.”

Het was om redenen als deze dat Adams’ puriteinse voorouders instellingen voor hoger onderwijs oprichtten zoals Harvard University en waarom talloze generaties hetzelfde hadden gedaan in Europa onder auspiciën van de Katholieke Kerk.

Thomas Jefferson legde in zijn uiteenzetting over de instellingen, wetten en cultuur van zijn geboortestaat Virginia veel nadruk op het belang van onderwijs voor de jeugd, met name op het gebied van de geschiedenis.

“De geschiedenis zal hen, door hen van het verleden op de hoogte te brengen, in staat stellen over de toekomst te oordelen,” schreef hij. “Het zal hen in staat stellen de ervaringen van andere tijden en andere naties te leren kennen; het zal hen kwalificeren als beoordelaars van de daden en plannen van mensen; het zal hen in staat stellen ambitie te herkennen onder elke vermomming die zij kan aannemen; en haar te kennen, om haar standpunten te verslaan. In elke regering op aarde is een spoor van menselijke zwakheid, een kiem van corruptie en ontaarding, die sluwheid zal ontdekken, en goddeloosheid ongemerkt zal openbaren, cultiveren en verbeteren.”

Met andere woorden, de geschiedenis onthulde niet alleen de lessen van de praktische politiek, maar zou de burgers waarschuwen voor de nadering van tirannie.

Benjamin Franklin benadrukte eveneens het belang van de geschiedenis. “Als de geschiedenis een constant onderdeel van hun lectuur wordt,” zei hij over de jeugd, “kunnen dan niet bijna alle soorten nuttige kennis op die manier worden geïntroduceerd in het voordeel van en met plezier voor de student?”

Het lezen van goede geschiedenis, zei hij, “zou in de geest van de jeugd diepe indrukken vestigen van de schoonheid en het nut van deugdzaamheid, openbare geest en standvastigheid.” Het zou ook “gelegenheid geven om uit te weiden over het voordeel van burgerlijke ordes en grondwetten, hoe mensen en hun eigendommen beschermd worden door zich aan te sluiten bij verenigingen en een regering in te stellen”. Het zou hen ook lessen geven over economie, en hoe “hun industrie [wordt] aangemoedigd en beloond, kunsten uitgevonden en het leven comfortabeler gemaakt.”

Wat betreft de deugd die zo noodzakelijk is om vrije samenlevingen bijeen te houden, merkte Franklin op dat de geschiedenis de jongeren zou laten zien “wat de voordelen van vrijheid zijn, de ondeugden van losbandigheid, de voordelen die voortvloeien uit goede wetten en een juiste uitvoering van het recht, enz. Zo kunnen de eerste beginselen van gezonde politiek in de geesten van de jeugd worden vastgelegd.” Ook zou het “veelvuldige gelegenheden bieden om de noodzaak van een openbare godsdienst aan te tonen, vanwege het nut ervan voor het publiek; [en] het voordeel van een godsdienstig karakter onder privé-personen.”

En in zijn afscheidsrede deed George Washington een beroep op de lessen van de geschiedenis toen hij zijn landgenoten smeekte om te onthouden dat “rede en ervaring ons beide verbieden om te verwachten dat nationale moraliteit kan zegevieren met uitsluiting van religieuze principes.” En voordat hij iemand tot procureur-generaal van de Verenigde Staten benoemde, informeerde hij naar “zijn diepgang in de wetenschap van de politiek, of met andere woorden zijn kennis van de geschiedenis”.

Kortom, onze stichters wisten dat we alleen een vrij volk konden blijven als we de lessen van de geschiedenis leerden. De menselijke soort is niet met ons begonnen, en (als God het wil) zal het ook niet met ons eindigen.

Zoals ik al zo vaak heb gezegd, moeten we ons niet tot onszelf beperken. Maar dat is precies wat we hebben gedaan in onze hele onderwijsinstelling. Het is nog nooit zo gemakkelijk geweest om toegang te krijgen tot de grote klassiekers van de menselijke beschaving en ze te bestuderen. Het kostte onze stichters een leven lang en een klein fortuin om die van hen te verkrijgen – wij kunnen die van ons in een paar muisklikken hebben, dankzij het internet. In plaats van de lessen van de geschiedenis te vereren, wordt onze kinderen vaak geleerd ze te verachten, of nog erger, te negeren.

Als we een vrij volk willen blijven, moet de serieuze, nuchtere, en ja, fascinerende studie van de geschiedenis weer een prominente plaats krijgen in de Amerikaanse klaslokalen. Laat onze kinderen de grote klassiekers lezen van Griekse, Romeinse, Chinese, Arabische, Middeleeuwse, en andere beschavingen. Laat ze nadenken over de menselijke aard door de ervaringen van zoveel andere mensen in zoveel andere tijden en plaatsen in zich op te nemen.

Laat ze onderweg de nederigheid leren die zo’n studie noodzakelijkerwijs met zich meebrengt. Ze zullen leren dat de nieuwste ideeën vaak iteraties zijn van de slechtste ideeën – vaak geprobeerd, vaak mislukt. Ze zullen leren wantrouwig te staan tegenover demagogen die hen ervan proberen te overtuigen dat de problemen van de wereld kunnen worden opgelost door een ideologisch syllogisme, en dat een utopie binnen handbereik ligt als de mensen maar uit de weg gaan. Zij zullen leren dat morele grenzen niet voor niets bestaan, en dat, hoewel “er een weg is die de mens juist lijkt”, deze vaak “in de dood eindigt”. Ze zullen leren wat er gebeurt als samenlevingen morele beperkingen afbreken waarvan ze niet eens de moeite hebben genomen het doel te begrijpen – en de rampspoed die daar steevast het gevolg van is.

Tenslotte zullen ze leren dat de menselijke natuur in de duizenden jaren van de opgetekende geschiedenis geen spat veranderd is. Ze zullen de wijsheid leren die ontelbare idealisten en revolutionairen heeft gefrustreerd, maar de wijzen voortdurend troost biedt, namelijk dat “er niets nieuws onder de zon is”. Daarom zijn klassiekers toch klassiekers: ze vinden weerklank ondanks de eeuwen- of zelfs millennia-lange kloof tussen schrijver en lezer. Dat zou niet mogelijk zijn als de menselijke natuur kon worden gevormd door ideologen, of de geschiedenis kon worden herschapen door fanatici.

De lessen van de geschiedenis aarden ons. Ze verlichten ons. En het allerbelangrijkste: zij maken ons nederig en verhinderen daardoor de steile val die onvermijdelijk het gevolg is van de moeder van alle ondeugden, de ondergang van alle individuen en samenlevingen: de hoogmoed.

Dit zijn het soort lessen uit de geschiedenis die onze stichters ons opdroegen te onthouden en te bestuderen. Het voortbestaan van onze Republiek zal afhangen van het feit of we dat doen of niet.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (8 juni 2021): Timeless Wisdom: Why the Founders Said You Should Study History

Tijdloze wijsheid: Thomas Jefferson’s regels voor het leven

Tegen het einde van zijn leven schreef Thomas Jefferson verschillende brieven met adviezen aan jonge mensen, van wie er verschillende door bewonderende ouders naar hem waren vernoemd.

Een daarvan was een jongeman, Thomas Jefferson Smith genaamd, wiens vader de bejaarde voormalige president had geschreven in de hoop dat deze zijn jonge zoon wat levensadvies zou geven. Zijn woorden waren krachtig:

“Je aanhankelijke en voortreffelijke vader heeft mij verzocht iets tot je te richten dat mogelijk een gunstige invloed zou kunnen hebben op de levensloop die je moet gaan volgen, en ook ik, als naamgenoot, voel een belang bij die levensloop … Aanbid God. Eerbiedig en koester uw ouders. Heb uw naaste lief als uzelf, en uw land meer dan uzelf. Wees rechtvaardig. Wees eerlijk. Mopper niet over de wegen van de Voorzienigheid. Zo zal het leven waarin je bent binnengetreden, de poort zijn naar een eeuwige en onuitsprekelijke gelukzaligheid.”

Kortom: Eer God en je ouders, volg de gulden regel, hou meer van je land dan van jezelf en klaag niet over de tegenslagen van het leven. Dit is het pad naar het eeuwige leven.

In dezelfde brief gaf Jefferson de jongen een meer praktisch advies dat de moeite van het overdenken waard was. Hij noemde het “Een decaloog van regels voor observatie in het praktische leven”, waarmee hij inspeelde op de Tien Geboden van de Bijbel (de “Decaloog”). De regels (met enig commentaar) waren als volgt.

1. ‘Stel nooit uit tot morgen wat je vandaag kan doen’.

Ongetwijfeld is dit een ondeugd waar velen van ons mee worstelen – van oudsher werd het geassocieerd met zaken als luiheid (in het ergste geval) of uitstelgedrag (in het beste geval). Jefferson maakt duidelijk dat wat we de dingen waarvan we weten dat ze moeten gedaan worden vandaag zouden moeten doen, voor zover dat mogelijk is. Onze dagelijkse taken onder controle houden is een van de beste manieren om de langdurige stress te vermijden die door uitstel wordt veroorzaakt.

Mather Brown’s portret van Thomas Jefferson, 1786. (Publiek domein)

2. ‘Val nooit een ander lastig voor iets wat je zelf kan doen’

Voor veel moderne mensen klinkt dit misschien een beetje hard, alsof Jefferson suggereert dat we nooit om hulp moeten vragen. Maar dat zou een verkeerde interpretatie zijn. In feite suggereert Jefferson dat we eerst inventariseren wat we zelf kunnen doen, dat doen en als dat te kort schiet, dan om hulp vragen. In mijn eigen leven, en als ik kijk naar het leven van vele anderen, is het gevoel van “geleverde prestaties” cruciaal voor een gezond gevoel van identiteit. We zijn beter in staat om de uitdagingen van het leven aan te gaan nadat we een gezond vertrouwen in onszelf hebben ontwikkeld – een vertrouwen dat standvastig genoeg is om hulp te vragen wanneer dat nodig is.

3. ‘Geef nooit je geld uit voordat je het hebt’

Dit komt precies op tijd! Amerikanen staan bekend om hun schulden, net als onze regering. In feite heeft geen enkele entiteit in de geschiedenis van de wereld zoveel schulden opgebouwd als de Amerikaanse federale overheid. Ook hebben Amerikanen de neiging veel minder te sparen dan (bijvoorbeeld) Duitsers, Chinezen en Koreanen. Een dergelijke gewoonte belet ons niet alleen te genieten van dingen die we af en toe willen, maar betekent ook dat we minder wendbaar zijn in een crisis. Velen van ons geven meer geld uit dan nodig is en beseffen niet ten volle in hoeverre we onze verlangens kunnen matigen, en grote rijkdom kunnen vinden in tevreden zijn. Voor degenen die aan deze ondeugd moeten werken, is een goede eerste stap Jeffersons advies: geef alleen uit wat je al hebt.

Thomas Jefferson op 49 door Charles Willson Peale, 1791. (Publiek domein)

4. ‘Koop nooit wat je niet wilt, omdat het goedkoop is; het zal je duur komen te staan’

Met “willen” bedoelt Jefferson niet “verlangen”, maar “gebrek”. Zijn advies is dus dat als we ergens geen gebrek aan hebben, we er niet meer van moeten kopen alleen omdat het goedkoop is.

5. ‘Trots kost ons meer dan honger, dorst en kou’

Er is een bekend gezegde uit de Bijbel: “Hoogmoed komt voor de val.” In de Schrift ging hoogmoed vooraf aan de val van Gods grootste engel, Lucifer (“Lichtdrager”), die daarna bekend werd als Satan (“Tegenstander”). Het ging ook vooraf aan de val van Adam en Eva, die rampspoed veroorzaakte voor het menselijk ras. Daarom is in het christendom, en in veel andere religieuze tradities, nederigheid zo belangrijk.

Nederigheid is niet onszelf als minder zien dan we zijn, maar onszelf zien zoals we zijn – onze sterke kanten begrijpen, maar ook onze beperkingen. Erkennen dat we schepselen zijn, niet de Schepper. Erkennend dat er veel meer is dat we niet weten dan dat we wel weten. Nederigheid opent ons voor een wereld van verlichting en groei in deugdzaamheid – hoogmoed laat alles in ons leven uitsluitend afhangen van een van de kleinste dingen: onszelf.

Portret van Thomas Jefferson door Thomas Sully, 1821. (Publiek domein)

6. ‘We hebben er nooit spijt van dat we te weinig gegeten hebben’

Heb je de laatste tijd de taille van Amerika gezien? Genoeg gezegd.

7. ‘Niets is lastig dat we welwillend doen’.

Ik denk dat deze regel goed samengaat met Jeffersons eerdere advies om “niet te morren over de wegen van de Voorzienigheid.” Het aanvaarden van de realiteit van een situatie, hoe onaangenaam ook, is een van de eerste stappen om er rationeel mee om te gaan. Als we elke omstandigheid – vooral onze beproevingen – zien als een kans om te groeien, dan kan werkelijk niets ons ervan weerhouden om te groeien, en worden zelfs onze moeilijkheden een weg naar uitmuntendheid.

Thomas Jefferson voorzag schutbladen in Cicero’s De Re Publica, gepubliceerd in 1823, van een inscriptie met advies aan Thomas Jefferson Smith, de zoon van Samuel Harrison Smith, een oude vriend en politieke bondgenoot. (Bibliotheek van het Congres, Divisie Handschriften)
Op pagina 2 van Jeffersons inscripties stond een gedicht. (Bibliotheek van het Congres, Divisie Handschriften)
De derde en laatste pagina van Jeffersons inscripties bevatte “Een decaloog van canons voor observatie in het praktische leven”. (Bibliotheek van het Congres, Divisie Handschriften)

8. ‘Hoeveel pijn hebben ons de kwade dingen gekost die nooit hebben plaatsgevonden’

Dit is voor de overbezorgden (waaronder ikzelf). Het is goed om zo nu en dan eens stil te staan bij alle dingen waarvan we bang waren dat ze zouden gebeuren, maar die niet gebeurden. Of, als alternatief, na te denken over de slechte dingen die gebeurden, maar hoe we ze te boven kwamen. Dan zal de waarheid van Jeffersons advies tot je doordringen.

9. ‘Neem de dingen altijd bij hun vlotte handvat’

Voor elk doel zijn er makkelijke en moeilijke manieren om het te bereiken. Kies de makkelijke weg – wat niet betekent dat je geen moeite hoeft te doen. Het betekent zo min mogelijk verspilde moeite.

10. ‘Als je boos bent, tel dan tot tien voordat je spreekt; als je heel boos bent, tot honderd’

We weten allemaal hoe het voelt om boos te zijn, maar dan te erkennen dat wanneer we kalmeren, de dingen vaak niet zo erg zijn als ze lijken. Maar zelfs als ze zo erg zijn als ze lijken (of erger), is het onder controle krijgen van onze emoties een noodzakelijke eerste stap om in staat te zijn het probleem rationeel te benaderen.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (06/04/2021): Timeless Wisdom: Thomas Jefferson’s Rules for Life

Tijdloze wijsheid: de oude Chinese kunst van zelfverbetering

Al vele jaren moedig ik iedereen die ik ken aan om liefde voor het lezen te ontwikkelen. Ik ben er bijzonder op gebrand om ouders (om hun kinderen aan het lezen te krijgen) en jongeren (terwijl ze hun jeugd behouden, zodat ze wijze volwassenen kunnen worden) aan te moedigen.

Wat ik vaak zeg is dat lezen niet een kwestie is van louter plezier – in feite is dit de laagste vorm van lezen. Lezen, in zijn hoogste vorm, gaat over leren, zodat men kan groeien in deugdzaamheid. Ik beveel vaak het onderwerp geschiedenis aan, omdat we in de geschiedenis talloze voorbeelden van menselijk gedrag te zien krijgen, waardoor we kunnen bijleren over elk denkbaar onderwerp dat belangrijk is om een goed leven te kunnen leven – zaken als karakter, staatsmanschap en wijsheid.

Ik werd met vreugde aan deze waarheid herinnerd toen ik het eerste hoofdstuk las van een oude Chinese tekst, “Xunzi”, getiteld “Een aansporing tot leren”. Het definieert de “heer” als iemand die voortdurend groeit in deugdzaamheid volgens “de Weg” (een idee dat erg lijkt op de westerse noties van “natuurwet” die iedereen kan waarnemen door middel van rede), en de essentie ervan is vervat in de openingszin: “De heer zegt: Leren moet nooit stoppen.” De “heer” is iemand “[die] breed leert en zichzelf driemaal daags onderzoekt, en dan is zijn kennis helder, en zijn gedrag zonder fouten.”

Zelfonderzoek, wat een concept! Een concept dat ook al lang door de grootste geesten in het Westen werd omarmd, en het tegendeel is van de afgezaagde, zelfzuchtige, eindeloos verzadigende banaliteiten waaraan wij voortdurend door de popcultuur worden onderworpen.

Maar meer dan dat – de “Xunzi” dringt erop aan dat de deugd die nodig is om een heer te zijn alleen kan worden verkregen door een grondige kennis van het verleden: “Als je nooit de woorden hoort die zijn overgeleverd door de vroegere koningen, zul je de grootsheid van het leren niet kennen.” Een dergelijke uitspraak veronderstelt dat ervaring een essentieel ingrediënt is in de wijsheid waardoor deugd wordt verkregen (vandaar het respect voor ouderen in de traditionele Chinese cultuur). Met andere woorden, het idee van eindeloze vooruitgang is absurd, en het geloof dat het nieuwe altijd beter is, is kortzichtig.

De “Xunzi” bevestigt ook dat de heer leert omwille van zijn eigen groei in deugdzaamheid – niet om aan deugdzaamheidssignalen te doen: “Studenten in de oudheid leerden voor hun eigen bestwil, maar de studenten van vandaag leren om indruk te maken op anderen. Dus het leren van de heer wordt gebruikt om zijn eigen persoon te verbeteren.”

Evenzo aanvaardt de heer dat het hard werken vergt om te groeien in deugdzaamheid: “De heer is niet uitzonderlijk door geboorte, maar door goed te zijn in de omgang met de dingen.” Dit zou niet meer kunnen verschillen van moderne, schadelijke ideologieën en “bewegingen” die erop aandringen dat iemands deugdzaamheid bestaat uit dingen waar hij niet aan hoeft te werken of die hij niet hoeft te verfijnen.

De “Xunzi” benadrukt ook het belang van iemands relaties voor de groei in deugdzaamheid: “In het leren is niets nuttiger dan dicht bij de juiste persoon te komen.” Zoals het oude gezegde luidt: “Slecht gezelschap corrumpeert de goede zeden”, en die waarheid was de Chinezen meer dan twee millennia geleden niet minder bekend dan zij is voor hen die vandaag hun gezond verstand behouden.

Deze groei van deugdzaamheid, zo verklaart de “Xunzi”, leidt uiteindelijk tot een persoonlijke instelling die de auteur “onveranderlijkheid” noemt en die hij als volgt omschrijft: “Daarom kunnen macht en winst hem niet beïnvloeden, kan de massa hem niet van zijn plaats brengen en kan niets ter wereld hem van zijn stuk brengen. Hij leeft hierdoor en hij sterft hierdoor. Dit wordt de staat genoemd waarin de deugd is gegrepen.” Deze staat van “onveranderlijkheid” is het vermogen om de dingen waar te nemen zoals ze zijn, en dienovereenkomstig te reageren, ongeacht de kosten. “Wanneer men onveranderlijkheid kan bereiken,” staat er, “alleen dan kan men op de dingen reageren. In staat zijn tot zowel onveranderlijkheid als reageren op de dingen – dit wordt de vervolmaakte persoon genoemd.”

Deze diep realistische maar ambitieuze houding deed me denken aan iets wat Jordan Peterson zei: “Pak je [scheldwoord] lijden op en draag het! En probeer een goed mens te zijn, zodat je het niet erger maakt! … Sta stevig in je schoenen zodat mensen op je kunnen vertrouwen!”

Dat is wat het is om een deugdzaam mens te zijn – om een echt menselijk mens te zijn.

Wanneer je teksten leest zoals de “Xunzi”, kom je veel voorbeelden tegen van wat ik schertsend “krantenkoppen van 2200 jaar oud” noem (of hoe oud een bepaalde tekst ook is) – dat wil zeggen, ik lees iets waarvan de noodzaak en de inhoud voor ons allen in 2021 even relevant is (of soms zelfs relevanter) dan de krantenkoppen van vandaag. Men ontdekt dat de menselijke natuur in de loop van duizenden jaren niet veel veranderd is, en dat de ingrediënten voor het ware geluk – alleen te vinden in de deugd – fundamenteel dezelfde blijven in alle tijden, voor alle mensen; en de moderne formule van het volgen van je grillige en kortzichtige verlangens (waarvoor anderen je voortdurend moeten bevestigen) is dat beslist niet.

Een dergelijke wijsheid is misschien nog nooit zo noodzakelijk geweest als in tijden die zo decadent en toegeeflijk zijn als de onze. Mogen wij deze grote traditie, de wijsheid van de wijzen van alle culturen en tijden, weer oppakken! Mogen wij ophouden ons tot onszelf te beperken, en leren dat het menselijk individu dwaas is, maar de menselijke soort wijs.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (06/04/2021): Timeless Wisdom: The Ancient Chinese Art of Self-Improvement

Tijdloze wijsheid: John Adams, ‘het Boston bloedbad’ en George Floyd

“Feiten zijn hardnekkige dingen, en wat onze wensen, neigingen of hartstochten ook mogen zijn, zij kunnen de feiten en bewijzen niet veranderen”.

Aldus John Adams tijdens het proces tegen de Britse soldaten die betrokken waren bij wat wij meer dan twee eeuwen later nog steeds “The Boston Massacre” noemen.

Maar er is een probleem: het was geen bloedbad; op één na werden alle Britse soldaten vrijgesproken; en John Adams – een Founding Father en anti-Britse koloniale patriot – maakte dat mogelijk.

Kortom, wat wij “The Boston Massacre” noemen was eigenlijk helemaal geen ‘massacre’, en we noemen het alleen zo dankzij een ideologisch gestuurd verhaal over wat er plaatsvond, in plaats van een feitelijk verhaal.

Vandaag gebeurt iets soortgelijks in verband met het proces tegen George Floyd. Sommigen proberen Floyd nu al tot een status te verheffen die alleen maar met heiligheid kan worden vergeleken. Velen stellen het proces gelijk met dat van Christus, met het rechtssysteem in de rol van Pontius Pilatus, en de beschuldigde agent Derek Chauvin in de rol van Barabbas. Kortom, ze proberen dit proces te gebruiken als een instrument in een groter macro-verhaal over rechtshandhaving, ras, en de legitimiteit van het Amerikaanse rechtssysteem zelf.

Maar, zoals we zullen zien in het geval van “The Boston Massacre” – een voorbeeld dat ik voortdurend heb aangehaald telkens wanneer een van de partijen al te snel een oordeel velt over de meest recente politietragedie – zijn dergelijke agenda-gedreven verhalen zelden gebaseerd op waarheid.

Het proces

Het was de winter van 1770, in Boston, Massachusetts. De spanningen tussen de Amerikaanse kolonisten en de Britse regering liepen al jaren op. Gewapende Britse soldaten patrouilleerden door de straten. De spanningen liepen hoog op en ontvlamden op de koude, winterse avond van 5 maart toen een Britse patrouille in botsing kwam met een groep woedende demonstranten. Het resultaat was dat vijf kolonisten gedood werden door de Britse soldaten.

Patriottenleiders als Samuel Adams en Paul Revere gingen in de hoogste versnelling. “Moord!” riepen ze. Jarenlang hadden ze betoogd dat het Britse parlement en de Britse koning zich als tirannen gedroegen. Dit, zo argumenteerden zij, was het bewijs dat wat zij al die tijd hadden gezegd, waar was.

Dus werden de Britse soldaten voor het gerecht gebracht. Maar niemand kon een advocaat vinden die de “bloeddorstige” soldaten, die nu de executie in het vooruitzicht hadden, wilde vertegenwoordigen. De meeste mensen zouden denken dat John Adams – een patriottenleider en achterneef van Samuel Adams – een van de minst waarschijnlijke kandidaten zou zijn, omdat hij al bijna een decennium lang het Britse beleid had aangevallen.

Maar omdat hij geloofde dat alle burgers van een vrij land recht hebben op het vermoeden van onschuld en het voordeel van juridische bijstand, stemde hij erin toe de soldaten te vertegenwoordigen.

De kosten waren immens. Zijn advocatenpraktijk zou er waarschijnlijk onder lijden, zo niet geheel ophouden, als hij de soldaten zou verdedigen, of hij nu succes had of niet. Maar ondanks het feit dat hij te maken kreeg met een weinig evenwichtige jury, kreeg hij de vrijspraak van alle soldaten op twee na, die schuldig werden bevonden aan doodslag in plaats van moord. Adams argumenteerde dat de troepen, geconfronteerd met een woedende menigte die hen begon aan te vallen, redelijkerwijs vreesden voor hun leven en vuurden uit zelfverdediging.

Dat was niet wat veel kolonisten wilden horen. Sommigen zagen hem als een verrader van de koloniale zaak die hij zo vurig had verdedigd. Adams riep de juryleden op zich niet te concentreren op het verhaal over de bloeddorstige Britten, maar op de feiten en het bewijsmateriaal. Te midden van een woedende en haatdragende tijd beweerde Adams dat ware gerechtigheid in de eerste plaats gebaseerd is op de waarheid, niet op ideologische verhalen – zelfs als de waarheid niet strookte met het verhaal waartoe hijzelf geneigd was.

Menselijke passies, betoogde Adams, hebben geen macht om die “koppige dingen”, feiten genaamd, te veranderen. De wet, zei hij (en hij citeerde de 17e eeuwse Britse patriot Algernon Sidney), “gebiedt niet datgene wat een zwak, broos mens behaagt, maar gebiedt zonder aanzien des persoons datgene wat goed is, en bestraft het kwade in allen, hetzij rijk, of arm, hoog of laag. Hij is doof, onverbiddelijk, onbuigzaam. Aan de ene kant is het onverbiddelijk voor de kreten en klaagzangen van de gevangenen; aan de andere kant is het doof, doof als een adder voor het rumoer van het volk.”

Hij werd veracht om wat hij deed. Zijn advocatenpraktijk leed er tijdelijk onder.

Maar toen vier jaar later het eerste Continentale Congres bijeengeroepen werd, wist iedereen in Massachusetts dat ze vertegenwoordigd wilden worden door, onder andere, John Adams. Ze realiseerden zich in 1774 wat ze zich in 1770 niet hadden gerealiseerd: Adams had de idealen van de koloniale zaak niet opgegeven, maar ze verdedigd en aangetoond dat de rechten waarvoor de kolonisten streden, het patrimonium waren van alle Britse burgers, of ze ons nu bevielen of niet.

Door de Britse soldaten te verdedigen en te bewijzen dat een eerlijk proces mogelijk was, zelfs onder de steeds rumoeriger wordende kolonisten, verdedigde hij in feite de zaak van de patriotten.

Lessen van ‘The Boston Massacre’

Wat zouden we hieruit moeten leren?

Ik vertrouw erop dat veel van de lessen duidelijk zijn. Er mag geen seconde worden verondersteld dat ik, door dit voorbeeld te gebruiken, aanneem dat Derek Chauvin of de andere politiemannen die betrokken waren bij de dood van George Floyd onschuldig waren. Ver daarvan.

De les van het “Boston Massacre” proces is niet dat degenen die belast zijn met de handhaving van wet en orde altijd, of zelfs meestal, gelijk hebben. De les is dat het in alle zaken van rechtvaardigheid essentieel is dat we oordelen op basis van feiten en bewijzen. Zeker ook in tijden waarin zovelen ideologische verhalen en politieke spelletjes tot maatstaf van hun daden hebben gemaakt in plaats van waarheid en rechtvaardigheid.

Dit geldt des te meer omdat een van de dierbaarste rechten van elke Amerikaanse burger het vermoeden van onschuld is – een recht dat des te belangrijker is wanneer het gewicht van de wet des te zwaarder wordt, tot en met de doodstraf toe.

Tot op de dag van vandaag is het onjuist om te zeggen dat wat er op 5 maart 1770 in Boston gebeurde een “bloedbad” was. De naam zelf is een overblijfsel van een vals verhaal – een verhaal opgesteld door mannen die weliswaar ons respect en onze eerbied verdienen voor hun diensten aan ons land, maar die tijdelijk werden overmand door hun eigen hartstochten; mannen die, als ze niet werden ingetoomd door de integriteit van anderen (zoals John Adams), gemakkelijk zouden zijn geëindigd met het weggooien van hun eigen integriteit.

Wat de zaak George Floyd betreft, zijn de feiten lang niet zo duidelijk als sommige voorstanders willen doen geloven. Ik heb mijn mening over wat de wet vereist gezien deze feiten. Maar op dit moment, weet ik niet hoe het zal aflopen. Dat weet u ook niet. Noch iemand anders.

Maar dit weet ik wel: iedereen heeft recht om voor de rechtbank te verschijnen in een eerlijk proces, en het vonnis moet de hardnekkige feiten volgen.

We zijn het aan deze mannen – George Floyd en agent Chauvin – aan onszelf, aan onze samenleving en vooral aan de minderheden die gerechtigheid is ontzegd vanwege veronderstellingen, verhalen en vooroordelen die tegen hen zijn ingebracht vanwege hun huidskleur, verplicht ervoor te zorgen dat het vermoeden van onschuld intact en onaantastbaar blijft en, zoals John Adams zei, slechts plaats maakt voor feiten en bewijzen, “ongeacht onze wensen, onze neigingen of de dictaten van onze hartstochten”.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (06/04/2021): Timeless Wisdom: John Adams, the ‘Boston Massacre,’ and George Floyd

Tijdloze wijsheid: de Tocquevilliaanse afdaling naar tirannie

alexis-de-tocqueville

Tijdloze Wijsheid: de Tocquevilliaanse afdaling naar tirannie
Aan het eind van zijn baanbrekende werk, “Democratie in Amerika”, gaf de Fransman Alexis de Tocqueville een verbluffende “voorspelling” over hoe democratische instellingen gemakkelijk zouden kunnen vervallen in een tirannie zoals de wereld die nog nooit had gezien. Bijna twee eeuwen later lijkt de vervulling van zijn “voorspelling” elke dag dichter bij te komen, als ze al niet vervuld is.

Hij opent zijn “profetie” met deze krachtige bewering:

“Ik had in mijn staat in de Verenigde Staten opgemerkt dat een democratische samenleving naar Amerikaans model zich met ongewoon gemak zou kunnen openstellen voor de vestiging van despotisme … Als despotisme zou worden gevestigd in de hedendaagse democratieën, zou het waarschijnlijk een ander karakter aannemen. Het zou wijder verspreid zijn en vriendelijker. Het zou mensen hun eigenwaarde ontnemen zonder hen te kwellen.”

Vrijheid is zo’n normaal begrip in het Amerikaanse denken en de Amerikaanse retoriek dat we nauwelijks kunnen geloven dat ons systeem “met ongewoon gemak” tiranniek zou kunnen worden. Hoe zou dat mogelijk zijn? Tocqueville legt uit hoe.

Hij beschrijft een maatschappij overspoeld met welvaart en luxe, ongekend sinds het begin van de wereld. Maar tegelijkertijd is er een massa burgers “op zichzelf gericht en rusteloos op zoek naar kleine, vulgaire genoegens waarmee ze hun ziel vullen.” Elk van hen is bijna volledig geatomiseerd van de rest. “Hij bestaat alleen in zichzelf en voor zichzelf,” voorspelt Tocqueville.

Sociale atomisering: check.

Boven deze massa van geatomiseerde mensen staat “een immense en beschermende macht die als enige verantwoordelijk is voor het behartigen van hun genoegens en het waken over het lot.” Tocqueville beschrijft deze macht (de regering) als een soort omgekeerd patriarchaat. Vaders proberen immers mannen “voor te bereiden op hun mannelijkheid.” Maar deze regering “probeert hen [de burgers] alleen maar in een eeuwige kindertijd te houden.”

Gebrek aan volwassenheid en toegenomen kinderlijkheid: check.

Zie je, dit is een samenleving van vermaak. Haar spirituele kern is verdwenen. “Ze verkiest dat haar burgers zich amuseren, aangezien ze enkel amusement voor ogen hebben,” verklaart Tocqueville. Maar er is een addertje onder het gras: “Ze werkt graag voor hun geluk, maar wil graag de enige zijn die dat geluk verschaft en beoordeelt.” Deze regering voorziet in en anticipeert zelfs op hun behoeften, verzekert hun pleziertjes en stuurt hun bedrijvigheid. In een huiveringwekkende verwoording zei Tocqueville dat het uiteindelijk de bedoeling heeft om “de last van het denken en de problemen van het leven volledig van hen weg te nemen”.

Intellectueel ontaard en oppervlakkig: check.

Het eindresultaat is dat de vrijheid in dagelijkse keuzes meer en meer beperkt wordt, dag na dag, terwijl de staat “geleidelijk de feitelijk autonomie van elke burger wegneemt”.

De samenleving wordt overspoeld met wetten, regels en voorschriften die elk detail van het leven regelen. Tocqueville voorzag dat zelfs ambitieuze en ondernemende mensen moeite zouden hebben om er doorheen te breken. Dit web van regels “breekt de wil van de mens niet, maar verzacht, buigt en controleert hem… Het tiranniseert niet, maar remt, onderdrukt, draineert, verdooft, verzwakt zoveel inspanning dat het uiteindelijk elk volk reduceert tot niets meer dan een kudde schuchtere en hardwerkende dieren met de regering als herder.”

Verstikkende economische regelgeving: check.

Zo’n systeem lijkt het tegendeel van democratisch. Maar ironisch genoeg is het het democratische principe zelf dat ertoe leidt. “Zij vonden troost,” zo observeert Tocqueville over deze toekomstige burgers, “bij het feit dat zij onder toezicht stonden, door te denken dat zij hun toezichthouders zelf hadden gekozen.” Met andere woorden, omdat zij schijnbaar hun regering hebben gekozen door hun stem, zijn zij niet bang voor de aantasting van de vrijheid. Het is tenslotte een schepsel van hun eigen makelij.

Maar Tocqueville geloofde het tegenovergestelde. In plaats van een schepsel van het volk te zijn, vormt zo’n regering geleidelijk het volk om tot haar schepsels. De regulering van elk aspect van het leven “verdoezelt geleidelijk hun verstand en verzwakt hun geest.” Als gevolg daarvan delegeert het volk steeds meer van zijn vermogen om zelf te bepalen hoe het zijn leven leidt aan de staat. Het volk vertrouwt steeds meer op de beslissingen en voorzieningen van de staat en minder op die van zichzelf.

Ja, ze behouden het recht om te stemmen. Maar, in misschien wel de meest indringende verklaring van zijn hele carrière, merkte Tocqueville op:

“Het is inderdaad moeilijk voor te stellen hoe mensen die de gewoonte van zelfbestuur volledig hebben opgegeven, met succes degenen zouden kunnen kiezen die dat voor hen moeten doen, en niemand zal ervan overtuigd zijn dat er ooit een liberale, energieke en voorzichtige regering kan voortkomen uit het stemgedrag van een natie van dienaren.”

Met andere woorden, van een natie van individuen die zichzelf niet langer besturen, kan niet worden verwacht dat zij op verstandige wijze degenen kiezen die hen zullen besturen. Zij weten niet meer wat vrije, deugdzame en wijze besluitvorming is. Daarom levert het hun niet veel op om hun stemrecht te behouden, want langzaam maar zeker begint de regering die zij vormen, hen te vormen.

Ongekende afhankelijkheid van de overheid in het dagelijks leven: check.

Griezelig genoeg voorspelde Tocqueville de opkomst van demagogen die zouden beweren “dat de gebreken die zij zien veel meer te maken hebben met de grondwet van het land dan met … het electoraat”. Is dit niet precies wat we in onze tijd hebben gezien? Het volk wordt eindeloos gevleid, en de grondwet wordt voortdurend naar de prullenbak verwezen.

Het eindpunt beschreven door Tocqueville is huiveringwekkend:

“De ondeugden van hen die regeren, en de dwaasheid van hen die geregeerd worden, zouden het weldra te gronde richten, en het volk, moe van zijn vertegenwoordigers en van zichzelf, zou vrije instellingen creëren of zich weldra terug verlagen tot zijn onderwerping aan één enkele meester.”

Dit is het onvermijdelijke einde voor elk volk dat zijn deugdzaamheid en zijn waakzaamheid over zijn instellingen heeft verloren en het onjuiste idee heeft aanvaard dat het een regering controleert waarvan het afhankelijk is geworden. Als zo’n punt is bereikt, zijn er nog maar twee opties over: terugkeren naar vrijheid of de macht verder consolideren in steeds minder handen – misschien zelfs in de handen van één persoon.

Ik bid dat we er nog niet zijn. Maar ik vrees dat we veel dichterbij zijn dan we ooit durfden te denken.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd op The Epoch Times (09/04/2021): Timeless Wisdom: The Tocquevillian Descent Into Tyranny

Tijdloze wijsheid: George Washington achtte religie en moraliteit essentieel voor politieke voorspoed

George Washington zei iets dat veel moderne Amerikanen onzinnig zouden vinden – en hij deed dat niet in een of ander privé-document, maar in misschien wel de meest openbare verklaring van zijn carrière, zijn Farewell Address, die vlak voor het einde van zijn presidentschap werd gepubliceerd.

Hij zei het volgende:

“Van alle eigenschappen en gewoonten die tot politieke voorspoed leiden, zijn godsdienst en moraliteit onmisbare steunpilaren. Tevergeefs zou die man aanspraak maken op het eerbetoon van patriottisme, die zich zou inspannen om deze grote pijlers van menselijk geluk, deze stevigste stutten van de plichten van mensen en burgers, onderuit te halen. … Een boekdeel zou niet al hun verbanden met privé en publiek geluk kunnen traceren.”

Volgens Washington kon een Amerikaan onmogelijk beweren dat hij een patriot was als hij “zou werken aan de ondermijning van deze grote pijlers van het menselijk geluk,” namelijk godsdienst en moraliteit.

Hij gaf twee redenen voor zijn bewering. Ten eerste: “Waar is de zekerheid voor eigendom, voor reputatie, voor leven, als het gevoel van religieuze verplichting geen deel meer uitmaakt van een eed in de rechtbank”

Washington verwees naar de eden die burgers aflegden in rechtbanken, of wanneer zij verschillende openbare ambten aanvaardden. Dergelijke eden riepen God aan als getuige voor de waarheidsgetrouwheid van de bewering die werd gedaan, hetzij met betrekking tot bewijs en getuigenis, of de rechtschapenheid van iemands bedoelingen bij het aanvaarden van een openbaar ambt. Geen enkele getuigenis kon in de rechtbank worden aanvaard zonder een eed, want als de getuige of deskundige loog, noemde hij of zij God ook een leugenaar en verzekerde hij of zij zich er zo van dat hij of zij in het hiernamaals zou worden vervloekt – iets wat onvoorstelbaar is voor een echt religieus persoon.

Een portret van George Washington door Gilbert Stuart, 1795. (Publiek domein)

Een anekdote uit “Democracy in America” van Alexis de Tocqueville – een Fransman die Amerika bezocht in de jaren 1830 – werpt enig licht op de zaak:

“Toen ik in Amerika was, kwam er een getuige voor een rechtbank in het graafschap Chester (staat New York) die verklaarde dat hij niet geloofde in het bestaan van God en de onsterfelijkheid van de ziel. De rechter weigerde zijn eed te aanvaarden omdat de getuige bij voorbaat elk vertrouwen in zijn verklaring had beschaamd. Kranten meldden dit feit zonder commentaar.”

Waarom zou een Amerikaanse rechter geloof in God essentieel vinden voor een eed? Om dezelfde redenen als William Blackstone, de Engelse jurist die door de stichters het vaakst werd aangehaald:

“Het geloof in een toekomstige staat van beloningen en straffen, het koesteren van juiste ideeën over het morele oordeel van het opperwezen, en een vaste overtuiging dat hij toezicht houdt op elke handeling in het menselijk leven en deze uiteindelijk zal compenseren (dit alles is duidelijk geopenbaard in de doctrines, en met kracht bijgebracht door de voorschriften van onze redder Christus), dit is de grote grondslag van alle gerechtelijke eden; die God aanroepen om te getuigen van de waarheid van die feiten, die misschien alleen bekend zijn bij hem en de partij die de eed aflegt: Daarom moet alle moreel bewijs, alle vertrouwen in menselijke waarachtigheid, worden verzwakt bij ongodsdienstigheid, en vervangen worden door totaal ongeloof.”

Dit hing nauw samen met de tweede reden die Washington in zijn Farewell Address aanvoerde om zijn standpunt te ondersteunen: “Laten we voorzichtig zijn met de veronderstelling dat moraliteit kan worden gehandhaafd zonder religie. Wat men ook moge toeschrijven aan de invloed van een verfijnde opvoeding op een geest, de rede en de ervaring verbieden ons te verwachten dat een nationale moraal kan zegevieren zonder religieuze principes.”

Zoals ik vaak heb opgemerkt, behoorden de stichters tot de best belezen generaties in de geschiedenis. Een van de onderwerpen waarmee ze het meest vertrouwd waren was geschiedenis, vooral Griekse en Romeinse geschiedenis.

Griekse historici als Polybius schreven de opkomst van de Romeinse staat toe aan (onder andere) de ernst waarmee zij (gerechtelijke en andere) eden behandelden als goddelijke verplichtingen. Romeinse staatslieden als Cicero maakten eeuwen later dezelfde opmerking. Dergelijke overtuigingen hielden de Romeinse staat bijeen, en versterkten het onderlinge vertrouwen dat de Romeinen in elkaar hadden.

Evenzo schreven verschillende historici en staatslieden uit de oudheid de ondergang van de Romeinse Republiek toe aan het verval van het godsgeloof en de daarmee gepaard gaande ontrafeling van de moraal. Zelfs in de voorchristelijke tijd beschouwden zij godsdienst en moraal als onverbrekelijk met elkaar verbonden vanwege de realiteit van een hiernamaals met beloningen en straffen voor de daden in dit leven. Men kan zich onttrekken aan de rechtspraak van de mens, maar men kan zich nooit onttrekken aan de rechtspraak van God, en dit dient als een krachtige beteugeling van de ergste menselijke hartstochten.

Het geloof in God, en wat de stichters vaak een “toekomstige staat” noemden waarin hij “beloningen en straffen” zou uitdelen voor iemands gedrag in het leven, was de hoeksteen van hun overtuigingen over de noodzaak van godsdienst voor een vrije samenleving – of zij nu zeer godsdienstig waren (zoals Benjamin Rush) of minder godsdienstig (zoals Thomas Jefferson). Op dit punt waren zij het allen eens.

Ze zouden allemaal, zoals Johan Adams, één of andere vorm van het volgende zeggen:

“Religie acht ik essentieel voor de moraal. Ik heb in de Griekse of Romeinse geschiedenis, of in enige andere geschiedenis, nooit gelezen over een goddeloos figuur, noch heb ik er in mijn leven één gekend die geen schurk was. Noem er één als je kan, levend of dood.”

Daarom, zoals Washington zo onomwonden beweerde, kon het ondermijnen van deze grote waarheden van religie en moraal nooit verenigbaar zijn met patriottisme.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (06/04/2021): Timeless Wisdom: George Washington Deemed Religion and Morality Essential to Political Prosperity

Tijdloze wijsheid: nationale schuld of nationale grootheid

De Verenigde Staten zijn een onheilspellende mijlpaal gepasseerd: een staatsschuld van 28 biljoen dollar. In 2021 zal de federale schuld alleen al 102 procent van het bruto binnenlands product bedragen – en dan is het “Amerikaanse reddingsplan” van 1,9 biljoen dollar, dat president Joe Biden onlangs in de wet heeft opgenomen, nog niet meegerekend. De verhouding tussen schuld en BBP is in de Amerikaanse geschiedenis slechts twee keer hoger geweest dan 102 procent – 1945 en 1946 – als gevolg van de uitgaven die nodig waren om de Tweede Wereldoorlog te winnen (respectievelijk 103,9 procent en 106,1 procent). Toen die overwinning veilig was gesteld, daalde zij onmiddellijk toen de V.S. een nieuwe gouden eeuw van welvaart ingingen. Maar terwijl de Amerikaanse economie tussen 1951 en 2020 een gemiddelde groei van 3,1 procent kende, voorspelt het Congressional Budget Office momenteel dat dat percentage in de komende drie decennia zal dalen tot 1,8 procent.

Dit komt bovenop een groeiende solvabiliteitscrisis in de belangrijkste programma’s van ons land: Sociale Zekerheid en Medicare.

In 2019 – vóór COVID – waarschuwde het Amerikaanse ministerie van Financiën al dat deze programma’s veel vroeger dan eerder voorspeld “failliet” zouden gaan (wat betekent dat ze minder zouden uitbetalen aan begunstigden dan ze hadden beloofd). Zij waarschuwden dat de Sociale Zekerheid in 2035 failliet zou zijn en Medicare in 2026. Ik ben geboren in 1988, ongeveer in het midden van de generatie van de millennials. Dat betekent dat deze beide programma’s, waarvoor ik veel belasting moet betalen, failliet zullen zijn 15 jaar (Sociale Zekerheid), en 27 jaar (Medicare) voordat ik er zelfs maar voor in aanmerking kom. Voor jongeren in hun tiener- en twintigerjaren is de situatie vandaag de dag nog slechter.

Nog zorgwekkender is dat ons geboortecijfer sterk is gedaald. Om de bevolking op peil te houden, moet een samenleving 2,1 baby per vrouw krijgen. De VS zit al sinds 1971 onder dat aantal. Maar in 2019 – opnieuw, voorafgaand aan COVID – was het gedaald tot een recorddieptepunt van slechts 1,7. Dat aantal is tijdens de pandemie nog verder gedaald, wat betekent dat nog minder mensen een bijdrage leveren aan het systeem.

De redenen waarom we in deze financiële situatie verzeild zijn geraakt, zijn divers en complex. Maar wat eenvoudig en duidelijk is, is dit: We zitten hier omdat we een collectief gebrek aan wijsheid aan de dag hebben gelegd met betrekking tot onze nationale financiën. Te lang hebben we geloofd dat we alles konden hebben, waarbij we zijn vergeten dat op een bepaald moment – nu of in de toekomst – elke uitgave moet worden betaald en elke schuld moet worden afgelost. Daarbij zijn we de morele dimensie van de nationale financiën vergeten, evenals de plicht van elke generatie om haar eigen rekeningen te betalen en toekomstige generaties niet onnodig te belasten.

Een waarschuwing van onze stichters

Onze stichters waarschuwden ons voor deze situatie. In zijn Afscheidsrede had onze eerste president, George Washington, veel te zeggen over dit onderwerp.

“Als een zeer belangrijke bron van kracht en veiligheid,” zei hij, “koester publiek krediet.” Hij raadde zijn land aan om “[evenzeer] de accumulatie van schulden te vermijden, niet alleen door gelegenheden van uitgaven te mijden, maar ook door krachtige inspanningen in vredestijd om de schulden af te lossen die onvermijdelijke oorlogen kunnen hebben veroorzaakt, teneinde de last die we zelf zouden moeten dragen niet op het nageslacht te werpen.”

Sprekend met de openhartigheid van een staatsman, herinnerde Washington de Amerikaanse politici eraan dat het essentieel was dat het Amerikaanse publiek begreep waarom een minimale schuld het beste was. Om hen [het publiek] de uitvoering van hun plicht te vergemakkelijken,” zei hij, “moet het publiek eraan herinnerd worden dat de betaling van schulden inkomsten vereist, en “om inkomsten te hebben moeten er belastingen zijn,” en “dat er geen belastingen bedacht kunnen worden die niet meer of minder lastig en onaangenaam zijn.”

Dit laatste punt van Washington is het overdenken waard. Normaal gesproken denken we dat belasting op één manier wordt geheven: de regering neemt ons geld direct in beslag. Maar het gebeurt in feite op twee manieren: ten eerste door directe belastingheffing (het soort waar we normaal aan denken), en ten tweede door inflatie die de valuta devalueert.

Bij directe belasting voelt het volk de last onmiddellijk. Kosten en baten worden op elkaar afgestemd en op hetzelfde moment ervaren. Er is geen “sugar high” als gevolg van een voordeel dat wordt verkregen terwijl de kosten worden uitgesteld. Directe belastingen zijn daarom de enige eerlijke manier om schulden te betalen, en ervoor te zorgen dat het Amerikaanse volk, zoals Washington zei, “zijn plicht vervult”.

Valuta-devaluatie inflatie

Maar er is nog een andere vorm van belasting die de regering sinds de jaren zestig steeds meer is gaan toepassen, namelijk de belasting die wordt opgelegd door valuta-devaluatie-inflatie. Wat houdt dit in? Het betekent dat wanneer de regering een schuld heeft, zij het tekort dekt, niet door belastingen die rechtstreeks aan het volk worden opgelegd, maar door meer dollars te drukken door de verkoop van staatsobligaties. Hierdoor stijgt de geldhoeveelheid (inflatie) zodanig dat er meer dollars nodig zijn om minder goederen en diensten te verkrijgen (wat leidt tot devaluatie van de munt).

De gevolgen hiervan zijn nefast, want het leidt niet alleen tot hogere prijzen nu, maar het vermindert ook de koopkracht van geld dat al verdiend is.

Ik zal dit illustreren. Stel dat u er in 2010 in geslaagd was om 50.000 dollar te sparen. Het kostte tijd en moeite om dat bedrag te verdienen. Je kunt bijna altijd meer moeite doen (tenminste tot je te oud bent), maar je kunt de tijd die het kostte om zoveel geld te sparen nooit meer terugkrijgen. En toch, wat is er met die 50.000 dollar gebeurd sinds 2010? De koopkracht ervan is met meer dan 20 procent gedaald! Dat betekent dat wat u in 2010 voor 50.000 dollar kon kopen, u nu meer dan 60.000 dollar kost! Die 20 procent is niet alleen inspanning, maar ook tijd. Dus waar is die 20 procent gebleven? Die is verdwenen door de geldontwaardende inflatie – het “betalen” van schulden door het drukken van dollars in plaats van directe belastingen.

Dit is al tientallen jaren aan de gang in de Verenigde Staten. De mensen worden bestolen en ze beseffen het niet eens, want “valuta-devaluatie-inflatie” is geen post op hun inkomen of hun belastingen. Het is een onzichtbare kostenpost die zij moeten en zullen betalen, maar als het ware achter hun rug om. Net als de kikker die niet beseft dat de pot water waarin hij zit steeds heter wordt, beseft het volk niet dat het beleid waarvoor het stemt in feite veel meer kost dan het beseft.

Naarmate de eerste levensbehoeften duurder worden, creëert dit weer voer voor politici die maar al te graag opnieuw te hulp schieten met soortgelijke beloften van vrijgevigheid, waarvan de kosten opnieuw worden opgelegd achter (en uiteindelijk op) de ruggen van de mensen die zij beweren te helpen.

Tegen de tijd dat dit gebeurt, is de correlatie tussen de kosten en de “baten” allang verdoezeld, terwijl de politici die hen dit hebben verkocht, hun gewenste herverkiezing al achter de rug hebben. Dit ontmoedigt zowel particuliere als publieke spaarzaamheid, en tot overmaat van ramp wordt het vaak bereikt door een beroep te doen op de benarde positie van de kwetsbaren, wier lot op de lange termijn het meest wordt geschaad. De toekomst op lange termijn van “de kinderen” wordt ondermijnd omwille van “de kinderen”.

De staatsschuld is een ingewikkelde kwestie – ingewikkelder dan we in een korte column kunnen bespreken. Wat echter niet ingewikkeld is, is de realiteit dat het het favoriete instrument van politici is om het volk te manipuleren in hun eigen voordeel. Zij zullen dit blijven doen totdat de mensen wakker worden.

Maar als dat is wat we hopen te doen, staan we voor een andere keuze die zowel duidelijk als grimmig is: ofwel besluiten we zelf de kosten te dragen van onze extravagantie in het verleden, ofwel blijven we die opleggen aan toekomstige generaties. We kunnen kiezen voor zelfverwennerij of terughoudendheid; verkwisting of verantwoordelijkheid; lafheid of plicht; de nationale schuld – hoe groot die ook is – of nationale grootsheid.

De keuze die we maken zal voor een groot deel de vraag beantwoorden of we de voorouders waardig zijn die onze vrijheid, veiligheid en welvaart hebben gekocht ten koste van hun fortuin, gemak en bloed.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (17/03/2021): Timeless Wisdom: National Debt or National Greatness

 

Tijdloze wijsheid: het tijdperk van Postman

Toen ik 19 was, las ik een boek dat mijn leven voor altijd zou veranderen. Het was Neil Postman’s “Amusing Ourselves to Death“. Hoewel het in 1985 werd gepubliceerd, zijn de inzichten ervan met het jaar relevanter en onheilspellender geworden.

Postman beweert het volgende: de elektronische media maken ons dommer en veranderen onze dialoog in vormen van vermaak die meer door winst dan door inhoud worden gedreven, wat er ons dan weer van weerhoudt om als volwassenen te spreken en zelfs om als volwassenen te denken. Hij onderzoekt dit fenomeen op het gebied van politiek, religie en onderwijs.

De inleiding maakt zijn angstaanjagend profetische stelling duidelijk:

“We hielden onze ogen gericht op 1984. Toen het jaar kwam en de profetie niet, zongen bedachtzame Amerikanen zachtjes een lofzang voor zichzelf. De wortels van de liberale democratie hadden standgehouden. De terreur had misschien wel ergens anders plaatsgevonden maar wij waren in ieder geval niet bezocht door Orwelliaanse nachtmerries.

Maar we waren vergeten dat er naast Orwells duistere visioen nog een ander was – iets ouder, iets minder bekend, maar even huiveringwekkend: Aldous Huxley’s Brave New World. In tegenstelling tot wat zelfs onder geleerden wordt gedacht, voorspellen Huxley en Orwell niet hetzelfde. Orwell waarschuwt dat we zullen worden overwonnen door een van buitenaf opgelegde onderdrukking. Maar in Huxley’s visie is er geen Big Brother nodig om mensen hun autonomie, volwassenheid en geschiedenis te ontnemen. Zoals hij het zag, zullen mensen van hun onderdrukking gaan houden en de technologieën gaan aanbidden die hun vermogen tot denken ongedaan maken.

Wat Orwell vreesde waren zij die boeken zouden verbieden. Wat Huxley vreesde was dat er geen reden zou zijn om een boek te verbieden, want er zou niemand zijn die een boek wilde lezen. Orwell vreesde diegenen die ons informatie zouden onthouden. Huxley vreesde diegenen die er ons zoveel zouden geven dat we zouden worden gereduceerd tot passiviteit en egoïsme. Orwell vreesde dat de waarheid voor ons verborgen zou worden gehouden. Huxley vreesde dat de waarheid zou worden verdronken in een zee van irrelevantie. Orwell vreesde dat we een cultuur van gevangenen zouden worden. Huxley vreesde dat we een triviale cultuur zouden worden. … In 1984, voegde Huxley toe, worden mensen gecontroleerd door pijn toe te brengen. In Brave New World, worden ze beheerst door het toebrengen van plezier. Kortom, Orwell vreesde dat datgene wat we haten ons zal ruïneren. Huxley vreesde dat datgene wat we liefhebben ons zal ruïneren.

Dit boek gaat over de mogelijkheid dat Huxley, en niet Orwell, gelijk had.”

Hoe kunnen we deze woorden lezen – omringd door de ruïnes van een failliete en uitgeputte cultuur – en niet concluderen dat we, in Postmans woorden, “een triviale cultuur” zijn geworden, en dus goed op weg zijn om een cultuur van gevangenen te worden?

De Founding Fathers hebben twee dingen buitengewoon duidelijk gemaakt: wil een samenleving vrij blijven, dan moeten haar burgers zowel deugdzaam als goed geïnformeerd zijn. Vrijheid kan niet worden gehandhaafd door een samenleving vol passie maar verstoken van rede.

En dit is precies waarom onze politiek krankzinnig is geworden en zich steeds dieper en dieper in ons dagelijks leven inmengt: wij, als cultuur, hebben deze waarden niet hoog in het vaandel staan. We denigreren ze.

We hechten geen waarde aan het nastreven van de waarheid (geloven we zelfs dat die bestaat?); we hechten wel waarde aan de zichzelf versterkende echokamers van onze eigen creatie.

We hechten geen waarde aan kennis; we hechten wel waarde aan praatjes en tweets (die zichzelf versterken, natuurlijk).

We hechten geen waarde aan de zelfbeheersing van deugdzaamheid; we hechten wel waarde aan het onverbiddelijke narcisme van ongeremde zelfexpressie en zelfverwezenlijking.

We hechten geen waarde aan de geschiedenis en alle schatten van de menselijke ervaring die beschikbaar zijn voor onze training en groei in wijsheid; we hechten wel waarde aan alles wat nieuw, fris, hip en eigentijds is om onze verlangens van moment tot moment en onze onuitputtelijke voorraden van verveling te bevredigen.

We hechten geen waarde aan inhoud, diepgang en rationaliteit; we hechten wel waarde aan alles wat kan worden verkocht, op de markt gebracht en verhandeld met glitter, glamour en franjes.

En al deze tendensen worden nu, in het “Tijdperk van Postman”, tegen ons gebruikt om ons vermogen om te denken teniet te doen en daarmee onze samenleving te ontbinden die altijd afhankelijk is geweest van een bedachtzame, geïnformeerde burgerij om te overleven.

Het is dus een grote ironie dat Amerika misschien nog nooit zo overspoeld is geweest met informatie en tegelijkertijd zo verstoken van wijsheid. Om het met een uitdrukking te zeggen die ik al vele jaren gebruik: sociale media veranderen volwassenen in kinderen met hun eigen enthousiaste instemming. Dit is precies wat Postman voorspelde: een tijd waarin het discours “logica, rede, gevolgtrekking en regels van tegenspraak” zou opgeven ten gunste van louter vermaak. Esthetisch, dadaïsme; filosofisch, nihilisme; psychologisch, schizofrenie.

En dat is het grote risico van een vrije maatschappij – dat haar bevolking volkomen corrupt kan worden, en dat haar regering uiteindelijk, op de een of andere manier, een afspiegeling wordt van haar bevolking. Onze politici hebben hun beste beentje voorgezet om eraan bij te dragen, en op onze beurt ondervinden wij de wrange vruchten van een bevolking die is afgestompt door een constante stroom van externe prikkels die geen enkele mentale inspanning vergen. Het is een overweldigende zintuiglijke prikkeling, die slechts een beroep doet op onze passies en onze lagere natuur – datgene wat we delen met dieren. En toch is het de geest die de mens onderscheidt van de dieren. De ontaarding ervan is daarom een ontaarding van onze meest fundamentele menselijke natuur.

Postman waarschuwde hoe dit precies het soort ding is dat tirannen van alle tijden hebben proberen bereiken:

“Tirannen van alle soorten hebben altijd geweten hoe waardevol het is om de massa’s te voorzien van amusement als middel om de ontevredenheid te sussen. Maar de meesten van hen konden niet eens hopen op een situatie waarin de massa datgene zou negeren wat niet amusant is. Daarom hebben tirannen altijd vertrouwd, en doen dat nog steeds, op censuur. Censuur is tenslotte het eerbetoon dat tirannen brengen aan de veronderstelling dat een publiek het verschil kent tussen een serieus discours en amusement – en zich daar iets van aantrekt. Hoe blij zouden alle koningen, tsaren en führers uit het verleden zijn geweest te weten dat censuur niet nodig is wanneer alle politieke redevoeringen de vorm van een grap aannemen”.

Maar we hadden Postman niet nodig om dit gevaar te onderkennen. We hoefden alleen maar te luisteren naar de waarschuwingen van onze stichters. Zij vertelden ons dat, hoewel het Amerikaanse experiment speciaal was, wijzelf dat niet waren. Wij Amerikanen zijn mensen, net als de rest. “Wij maken onszelf populair,” waarschuwde John Adams, “door onze medeburgers te vertellen dat wij ontdekkingen hebben gedaan, uitvindingen hebben bedacht en verbeteringen hebben aangebracht. We kunnen opscheppen dat we het uitverkoren volk zijn, we kunnen zelfs God danken dat we niet zijn zoals andere mensen. Maar uiteindelijk zal het slechts vleierij zijn, en de misleiding, het zelfbedrog van de farizeeër.”

Zoals ik in 2016 schreef: “Om onze Onafhankelijkheidsverklaring na te zeggen – wanneer een lange reeks van trivialiteiten en amusementen, die onveranderlijk hetzelfde doel nastreven, een obsessie voor comfort, plezier en vermaak blijkt te zijn, dan is het de last van het volk, de straf van het volk en de oogst van het volk, om de kwelling te dragen van een politiek die evenzeer verrot en corrupt is geworden door het verlies van morele gezondheid en intellectuele energie.”

Bij gebrek aan wat Churchill in de jaren dertig “een ultiem herstel van morele gezondheid en kracht” noemde, is een nieuw tijdperk aangebroken, of op zijn minst geïnitieerd – een meer sinister en verraderlijk tijdperk dan we ons realiseerden.

Ons tijdperk is het tijdperk van Postman.

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (10/03/2021): Timeless Wisdom: The Age of Postman

Tijdloze wijsheid: beter dan goud

Er zijn maar weinig dingen die onze wereld op dit moment harder nodig heeft dan wijsheid.

Maar wat is wijsheid precies?

Laat ik beginnen met op te merken dat wij mensen dingen kunnen “weten” op drie verschillende niveaus.

Het eerste en laagste niveau is louter gegevens, bestaande uit geïsoleerde feiten, cijfers, data, mensen en waarnemingen. Dit is de laagste vorm van “weten”.

Het tweede niveau is kennis, die de gegevens die wij waarnemen zodanig ordent en systematiseert dat wij hun oorzaak en doel begrijpen.

Het derde en hoogste niveau is wijsheid.

Grote geesten door de geschiedenis heen hebben verschillende, naar mijn mening onderling verenigbare, definities van wijsheid gegeven.

Laten we beginnen met Socrates. In de “Apologie” van Plato, zijn leerling, wordt ons verteld dat Socrates’ vriend Chaerephon aan het Orakel van Delphi vroeg of er een man was die wijzer was dan Socrates. Het Orakel zei van niet. Socrates was hierover verbaasd en na het antwoord van het orakel te hebben overwogen, concludeerde hij dat het betekende: “De wijste onder jullie, stervelingen, is de man die, net als Socrates, begrijpt dat zijn wijsheid waardeloos is.” Van Socrates leren we dus dat wijsheid een besef van eigen beperkingen inhoudt, een gevoel van nederigheid.

In zijn “Nicomachische Ethiek” maakte de leerling van Plato, Aristoteles, onderscheid tussen twee soorten wijsheid: theoretische en praktische. Theoretische wijsheid kwam in wezen neer op een diepgaande kennis van en inzicht in een bepaald onderwerp. Praktische wijsheid daarentegen was kennis over hoe goed te leven, want volgens Aristoteles “is het duidelijk dat het onmogelijk is praktisch wijs te zijn zonder goed te zijn.” Voor Aristoteles was wijsheid dus zowel diepe kennis als een deugdzaam leven.

Xunzi, een Chinese filosoof die vlak na Aristoteles leefde, verklaarde dat de wijze man degene is die eerst zichzelf ordent, en van daaruit zijn omgeving ordent – zijn familie, werkplek, of als hij een heerser is, de staat.

“Voor het cultiveren van het hart van een heer,” zo verklaarde hij, “is niets beter dan integriteit.” Met deze persoonlijke integriteit kan de wijze man zich vervolgens aanpassen aan de wereld om hem heen: “Als je goed geordend bent, dan zul je verlicht worden. Als je verlicht bent, dan kun je je aan de dingen aanpassen. Het achtereenvolgens transformeren en aanpassen wordt Hemelse deugd genoemd.” We zien dus dat Xunzi geloofde dat de “Hemelse deugd” van wijsheid het vermogen omvatte om je aan te passen aan de wereld om ons heen.

Op dezelfde manier zijn sommige boeken in de Bijbel bijna uitsluitend gericht op wijsheid. Koning Salomo bijvoorbeeld identificeerde God als de ultieme bron van wijsheid. In de woorden van St. Thomas van Aquino, die zelf Aristoteles citeerde, “behoort het tot de wijsheid om de hoogste oorzaak te beschouwen,” die St. Thomas identificeerde met God, die alle dingen voorzienig ordent.

En omdat wijsheid uiteindelijk met God wordt vereenzelvigd, staat de Bijbel vol met adviezen om te luisteren naar hen die boven ons staan, naar de wijzen en de ervarenen. De ‘wijsheidsboeken’ dringen er ook op aan dat wij, om wijs te zijn, ook moeten luisteren naar kritiek en berisping van de wijzen moeten aanvaarden. De Heilige Schrift bevestigt eveneens wat door Aristoteles, Xunzi en vele anderen werd gezegd, namelijk dat wijs zijn betekent deugdzaam te leven.

Wijsheid gaat dus in meerdere opzichten veel verder dan gegevens en kennis.

Ten eerste, terwijl gegevens en kennis georiënteerd kunnen zijn op een verscheidenheid van lagere oorzaken (schoonheid in kunst, ontwerp in techniek, wet in rechtspraak, enz.), is wijsheid uiteindelijk georiënteerd op de hoogste oorzaak, namelijk God. Als zodanig is zij van toepassing op alles in het leven en oriënteert zij al het andere in het leven, want het leven komt voort uit God.

Ten tweede vereist wijsheid nederigheid en de bereidheid om raad en zelfs berisping te aanvaarden; geen van beide zijn noodzakelijk om gegevens of kennis te verwerven.

Ten derde is wijsheid intrinsiek verbonden met deugdzaamheid en dus niet alleen met hoe we over het leven denken, maar ook met hoe we het leven leiden. Gegevens en kennis kunnen abstracties blijven in de geest. Maar wijsheid moet noodzakelijkerwijs vlees worden. Het is een staat van zijn. Zij ziet verder dan de horizon en begrijpt datgene wat gegevens en kennis nooit volledig kunnen bevatten, maar slechts beschrijven.

Tenslotte moet wijsheid bezield zijn door liefde – liefde voor het leren, voor het leven, voor de mens en uiteindelijk voor God. Veel mensen hebben nauwkeurige gegevens en kennis in hun hoofd, maar als het hun aan wijsheid ontbreekt, lopen zij het gevaar die te misbruiken, omdat zij niet verankerd zijn in de liefde voor iets dat groter is dan zijzelf, want zoals de H. Paulus opmerkte: “Kennis zwelt op, maar liefde bouwt op.” Het bezitten van gegevens en kennis kan tot arrogantie leiden. Het bezitten van wijsheid leidt tot het tegendeel.

Hoewel dit geen uitputtende behandeling van wijsheid is, geeft het ons genoeg om in grote lijnen aan te geven wat een wijs mens kenmerkt volgens vele grote geesten door de geschiedenis heen. Om een wijs persoon te zijn, moet iemand – op zijn minst – iemand zijn die:

1. God vreest en respecteert;
2. Zijn onvolmaaktheden en beperkingen nederig erkent;
3. Luistert naar de correcties en de raad van autoriteiten, ouderen en diegenen met meer ervaring;
4. Dit alles aanwendt met het doel een deugdzaam leven te leiden.

Dit zijn de vier principes die ten grondslag liggen aan deze ‘Tijdloze Wijsheid’ column, die tot doel heeft de wijsheid van grote geesten uit de hele wereld en uit de hele geschiedenis van de mensheid toe te passen op het moderne leven – zelfs als, of misschien vooral als, ze in strijdt is met onze eigen opvattingen en veronderstellingen.

De reden is eenvoudig en werd 3000 jaar geleden perfect verwoord door koning Salomo: “Gelukkig is de man die wijsheid vindt en de man die inzicht verkrijgt, want de winst ervan is beter dan de winst van zilver en de opbrengst ervan is beter dan goud.”

Joshua Charles is een voormalig speechschrijver voor het Witte Huis voor Vice President Mike Pence, No. 1 New York Times bestseller auteur, een historicus, schrijver/ghostwriter, en openbaar spreker. Hij was historisch adviseur voor verschillende documentaires en publiceerde boeken over onderwerpen variërend van de Founding Fathers, tot Israël, tot de rol van het geloof in de Amerikaanse geschiedenis, tot de impact van de Bijbel op de menselijke beschaving. Hij was de senior redacteur en conceptontwikkelaar van de “Global Impact Bible,” gepubliceerd door het in D.C. gevestigde Museum of the Bible in 2017, en is als geleerde verbonden aan het Faith and Liberty Discovery Center in Philadelphia. Hij is een Tikvah en Philos Fellow en heeft in de hele VS gesproken over onderwerpen als geschiedenis, politiek, geloof en wereldbeeld. Hij is concertpianist en heeft een master in overheid en een graad in rechten. Volg hem op Twitter @JoshuaTCharles of kijk op JoshuaTCharles.com.

De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met de standpunten van The Epoch Times.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (04/03/2021): Timeless Wisdom: Better Than Gold