Dit is het tweede deel van een driedelige reeks over de nieuwe Chinese wet ter bevordering van etnische eenheid en vooruitgang. Lees hier deel één.
Commentaar
In het eerste deel van deze reeks werd ingegaan op het grootste gevaar van de nieuwe Chinese wet ter bevordering van etnische eenheid en vooruitgang: de Chinese Communistische Partij (CCP) roept niet alleen op tot harmonie tussen etnische groepen. Zij verankert een door de staat gestuurd identiteitsproject in de nationale wetgeving.
Dit deel richt zich op kwetsbare systemen. De wet richt zich op de instellingen die elk autoritair systeem uiteindelijk probeert te controleren: scholen, taal, religie, cultuur, huisvesting, werkgelegenheid, media en de openbare ruimte. Het is de bedoeling van Peking om te laten uitschijnen dat controle gebruikt wordt voor en ten dienste staat van eenheid, ontwikkeling en vooruitgang.
Artikel 12 is het uitgangspunt. Volgens de Engelse vertaling van de wet door China Law Translate moet de staat onderwijs aanbieden dat mensen van alle etnische groepen ertoe aanzet de “juiste” opvattingen van de staat over geschiedenis, etniciteit, cultuur en religie over te nemen.
Dat woord – “juist” – is niet gewoon een opvulwoord. In democratische samenlevingen wordt er over geschiedenis, cultuur en religie gediscussieerd door gezinnen, wetenschappers, geestelijken, gemeenschappen, journalisten en burgers. In het China van Xi Jinping eist de staat het recht op om van tevoren te bepalen wat de juiste interpretatie is.
De staat vraagt studenten niet om een brede opleiding te volgen. Ze draagt hen op om de door de CCP goedgekeurde opvattingen over natie, geschiedenis, etniciteit, cultuur en religie over te nemen. Zodra de staat deze categorieën onder controle heeft, wordt de identiteit van minderheden naar de periferie verdrongen. Taal, kleding en lokale cultuur mogen wel worden gepromoot voor het toerisme. Maar de betekenis van die identiteit is voorbehouden aan de Partij.
Daarom staat onderwijs centraal in de wet. Artikel 16 schrijft voor dat scholen “het smeden van een sterk gemeenschapsgevoel onder het Chinese volk” doorheen het volledige onderwijsproces moeten verweven en nationaal uniforme leerboeken moeten gebruiken.
Artikel 15 stelt de nationale gemeenschappelijke taal en het schrift – het Mandarijn – vast als de basistaal voor het onderwijs en officiële zaken, en schrijft voor dat het Mandarijn prominent aanwezig moet zijn wanneer het naast minderheidstalen wordt gebruikt. Reuters meldde dat de wet voorrang geeft aan het Mandarijn op scholen en in officiële contexten, en voorschrijft dat het Mandarijn voorrang krijgt boven minderheidstalen wanneer deze samen voorkomen.
Peking zal dit omschrijven als integratie. Gezinnen die hieronder leven, zullen het echter eerder ervaren als een hiërarchie.
De wet bepaalt dat minderheidstalen worden gerespecteerd en beschermd, maar de praktische uitvoering wijst in de tegenovergestelde richting. Het Mandarijn wordt de taal van het onderwijs, de overheid, de arbeidsmarkt, carrièrekansen en officiële legitimiteit. Minderheidstalen mogen dan wel blijven bestaan als tekenen van cultureel erfgoed, maar het Mandarijn draagt de macht in zich.
Zo werkt assimilatie vaak in een moderne bureaucratie. Het hoeft niet te beginnen met een regelrecht verbod. Het kan een taal minder bruikbaar maken voor het kind, minder zichtbaar in het openbare leven, minder relevant voor kansen en minder centraal in het onderwijs, totdat ouders gaan beseffen dat cultureel voortbestaan een prijs heeft.
De Congressional-Executive Commission on China (CECC) waarschuwde dat het wetsontwerp de taalkundige en culturele assimilatie zou versterken door het onderwijzen van Mandarijn aan kinderen uit minderheidsgroepen al vanaf de kleuterschool te stimuleren en door ideologische vorming in te bedden die één enkele “juiste” interpretatie van geschiedenis, etniciteit, cultuur en religie voorschrijft, zoals gedefinieerd door de CCP.
Die waarschuwing was niet speculatief. Ze beschreef een kader dat al zichtbaar was in Tibet, Binnen-Mongolië, Xinjiang en de Hui-moslimgemeenschappen.
Tibet laat zien hoe vroeg de staat bereid is om hiermee te beginnen. Uit het rapport “Start with the Youngest Children” van Human Rights Watch uit 2026 blijkt dat de Chinese autoriteiten het beleid voor kleuterscholen en peuterspeelzalen gebruiken om Tibetaanse kinderen te integreren in het onderwijs in het Mandarijn en in ideologische vorming.
Het rapport beschrijft ook een richtlijn van het ministerie van Onderwijs uit 2021 waarin kleuterscholen in gebieden met etnische minderheden worden verplicht om standaard-Mandarijn te gebruiken voor onderwijs en opvang. Assimilatie begint in dit model al voordat een kind kan lezen en lang voordat een kind begrijpt wat er met hem of haar gebeurt.

Het effect reikt verder dan alleen de woordenschat. The Guardian, die verslag deed van de bevindingen van Human Rights Watch, citeerde Tibetaanse ouders en onderzoekers die aangaven dat kinderen die terugkwamen van de kleuterschool niet meer of nauwelijks Tibetaans wilden of konden spreken, en dat sommige kinderen zichzelf eerder als Chinees dan als Tibetaans beschouwden.
Het gaat hier niet louter om het vervangen van een taal. Het is een emotionele en culturele verschuiving. Een kind dat moeite heeft om met zijn grootouders te praten, kan herinneringen niet volledig overnemen. Een kind dat leert dat Mandarijn de taal van vooruitgang is en Tibetaans de taal van thuis, leert hiërarchie nog vóór politiek en kan gaan neerkijken op ouders die niet vloeiend Mandarijn spreken.
Verslagen van het Amerikaanse Congres versterken die bezorgdheid. Een rapport van de Congressional Research Service over mensenrechten in China stelt dat Peking het onderwijs en de schoolboeken in het Tibetaans blijft vervangen door materiaal in het Chinees en naar verluidt bijna 1 miljoen Tibetaanse kinderen heeft ondergebracht in door de staat gerunde kostscholen waar in het Chinees wordt onderwezen en de Han-cultuur wordt gepromoot.
Dit is geen gewoon tweetalig onderwijs; het is indoctrinatie van de ene cultuur en het uitroeien van de andere. Het is een systeem dat de instellingen verzwakt die een volk vooruit helpen.
Religie krijgt een soortgelijke behandeling. Artikel 46 van de nieuwe wet verplicht religieuze groeperingen, religieuze scholen en religieuze locaties zich te houden aan de “sinificatie” van religie. De term klinkt misschien cultureel, bijna onschuldig. Dat is het niet.
In de praktijk betekent sinificatie dat het religieuze leven moet aansluiten bij de door de CCP gedefinieerde nationale identiteit, de socialistische samenleving en de staatsveiligheid. Onafhankelijke religieuze autoriteit wordt als verdacht beschouwd omdat deze betekenis biedt die verder reikt dan de Partij.
Hui-moslims hebben die druk al gevoeld. In het jaarverslag van 2025 van de Congressional-Executive Commission on China werd de onderdrukking van islamitische uitingen beschreven door middel van sinificatiecampagnes, druk op moskeeën, detenties van imams en staatscontrole op religieuze interpretaties.
Het rapport beschrijft ook de aanhouding in december 2024 van de Hui-imam Ma Yuwei in Yunnan, gevolgd door openbare protesten en een veiligheidsoperatie waarbij politie, militairen, controleposten, communicatiestoorzenders en ondervragingen van Hui-moslims werden ingezet. Onder de nieuwe wet kan dit soort religieuze dwang worden gepresenteerd als het werk van de CCP ter bevordering van etnische eenheid.
Xinjiang blijft de duidelijkste waarschuwing voor hoe ver deze logica kan gaan. Rapporten van de Congressional Research Service beschrijven ernstige beperkingen op het religieuze en culturele leven van de Oeigoeren, massale detentie, politieke indoctrinatie, dwangarbeid en gedwongen verhuizingen. Peking houdt vol dat dit beleid de stabiliteit beschermt en extremisme bestrijdt.
De wet op de etnische eenheid geeft datzelfde kader een bredere nationale invulling: een onafhankelijke cultuur wordt een risico, religieuze autonomie wordt een kwetsbaarheid, kritiek wordt verdeeldheid en assimilatie wordt vooruitgang.
Ook de openbare ruimte maakt deel uit van dit mechanisme. Artikel 14 schrijft lokale overheden voor om gemeenschappelijke Chinese culturele symbolen te benadrukken in openbare voorzieningen, architectuur, landschappelijke presentaties, plaatsnamen en openbare activiteiten. Dit klinkt misschien als een cosmetische maatregel. Dat is het niet. De openbare ruimte leert ons wiens geschiedenis officieel is, wiens symbolen worden verheven en wiens identiteit het nationale verhaal mag bepalen.
Daarom moet de bewoording van de wet over een “gedeeld spiritueel thuis” met de nodige voorzichtigheid worden benaderd. Een thuis is niet gedeeld wanneer één autoriteit beslist welke delen van een cultuur op de schroothoop belanden. Terwijl de CCP de wereld een integratiewet wil laten zien, wijst de tekst op een assimilatiesysteem.
Een staat die taal, religie, herinnering en jeugd wettelijk kan herinrichten in naam van de eenheid, laat zien hoe zij macht opvat. Zij laat ook zien hoe zij elke bevolkingsgroep, in eigen land of in het buitenland, zou kunnen behandelen die de identiteit weigert die Peking haar toekent.
In deel drie zal dat externe gevaar worden onderzocht. Artikel 63 breidt de logica van de wet uit tot buiten de Chinese grenzen en dreigt met wettelijke aansprakelijkheid voor organisaties en individuen buiten het land die naar verluidt de etnische eenheid ondermijnen of etnische verdeeldheid zaaien.
De standpunten in dit artikel zijn de mening van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs de standpunten van The Epoch Times.
Gepubliceerd door The Epoch Times (3 augustus 2026): China’s New Ethnic Unity Law: CCP Controls Narrative of Assimilation



