De ministers van Financiën en centrale bankiers van de G20 hebben onlangs een opmerkelijke eensgezindheid aan de dag gelegd in hun verzet tegen het economische beleid en de ambities van China.
Al enige tijd is voor al deze landen duidelijk dat Peking eropuit is andere landen steeds afhankelijker te maken van Chinese productie. Tijdens hun bijeenkomst eerder deze maand in Asheville, North Carolina, zeiden de deelnemende landen daar ondubbelzinnig ‘nee’ tegen. Veel verder dan dat ging het echter niet.
Het slotcommuniqué van de bijeenkomst was scherper geformuleerd dan gebruikelijk. Er werd gesteld dat “landen met buitensporige en aanhoudende externe overschotten” een einde moeten maken aan beleid “dat leidt tot een te grote afhankelijkheid van export als motor van de groei”. Ook werd geëist dat deze landen “niet-marktconform beleid afschaffen” en “verstoringen wegnemen die de binnenlandse consumptie belemmeren”.
Hoewel diplomatieke beleefdheden verhinderden dat China bij naam werd genoemd, was duidelijk dat Peking het doelwit was van deze scherpe bewoordingen. Om dat nog eens te onderstrepen, was China de enige aanwezige die zich tegen de verklaring verzette. Zelfs Rusland stemde ermee in.
Zowel tijdens de bijeenkomst als daarbuiten hebben de ondertekenaars hun zorgen geuit over de vloed aan Chinese exportproducten die de wereld overspoelt. Washington stelt al lange tijd dat Chinese export de industriële basis van de Verenigde Staten heeft uitgehold en heeft daarom een tariefmuur opgetrokken tegen in China geproduceerde goederen.
Meer recent heeft ook de Franse regering zich achter die analyse geschaard. In een rapport dat in februari verscheen, waarschuwde Parijs dat de groei van de Chinese export “de kern van Europa’s productiesysteem” bedreigt. Mocht dat nog niet duidelijk genoeg zijn, dan spreekt de titel van het rapport boekdelen: De Chinese stoomwals.
De Duitse bondskanselier Friedrich Merz heeft met lede ogen aangezien hoe het Duitse handelstekort met China sinds 2020 bijna is verviervoudigd.
De Japanse minister van Financiën Satsuki Katayama vatte het algemene gevoel samen met de woorden dat “iedereen wat China betreft een grens heeft overschreden”.
Maar ondanks die eensgezindheid lijkt niemand klaar voor gezamenlijk optreden. Afgezien van de recente importheffingen van Washington en de Europese Unie op Chinese elektrische auto’s en bepaalde apparatuur, en de invoering van een vast tarief op kleine pakketjes, lijken maar weinig landen bereid tot zulke ingrijpende maatregelen.
In plaats daarvan richten deze landen hun pijlen op de manier waarop China de yuan beheert. Volgens hen is de munt sterk ondergewaardeerd, waardoor Chinese producten op de wereldmarkt een concurrentievoordeel hebben doordat ze goedkoop kunnen worden aangeboden.
Goldman Sachs schat dat de yuan 19 procent ondergewaardeerd is. Dat betekent een aanzienlijk prijsvoordeel. De Council on Foreign Relations komt uit op een onderwaardering van 35 procent, wat een nog groter voordeel oplevert. De Duitse bondskanselier heeft gezegd dat de yuan 25 tot 30 procent ondergewaardeerd is.
Die aandacht voor de wisselkoers heeft sommige wereldleiders, onder wie vooral Merz, ertoe gebracht tijdens de G7-top in juni te pleiten voor een nieuwe versie van het Plaza-akkoord. De G7 bestaat uit Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Met het Plaza-akkoord wordt verwezen naar de overeenkomst die in 1985 werd gesloten in het Plaza Hotel in New York. Die moest de waarde van de Japanse yen opdrijven en zo het enorme Japanse handelsoverschot met de rest van de wereld terugdringen.
Het is maar de vraag of Peking daaraan zou meewerken, zoals Tokio dat zo’n veertig jaar geleden deed. Evenmin is duidelijk of zelfs een forse opwaardering van de yuan voldoende zou zijn om de bezwaren van de G20-landen weg te nemen.
Een probleem is dat de yuan niet vrij verhandeld wordt op de valutamarkten. De Chinese centrale bank (PBOC) stuurt de munt binnen dagelijkse bandbreedtes. De yuan is de afgelopen tijd weliswaar sterker geworden en is in de afgelopen twaalf maanden zo’n 6 procent gestegen ten opzichte van de Amerikaanse dollar, maar dat komt bij lange na niet in de buurt van de percentages waar Merz en anderen op doelen.
Om verder te gaan, zouden zowel de PBOC als Peking ermee moeten instemmen, en dat is hoogst onwaarschijnlijk. In dat geval zou China zijn afhankelijkheid van export als motor van de economische groei moeten inruilen voor een dynamischer binnenlandse economie. Tot dusver heeft Peking daarin nauwelijks vooruitgang geboekt. Ongetwijfeld ziet Peking bovendien een waarschuwing in het feit dat de Japanse economie kort na het Plaza-akkoord begon te stagneren.
Ondanks alle onzekerheid over de vervolgstappen zou de uitkomst van de G20-bijeenkomst Peking duidelijk moeten waarschuwen. De ambitie om de wereld afhankelijk te maken van de Chinese industrie heeft zijn toekomst verspeeld — als die er al ooit is geweest.
De rest van de wereld, en niet alleen de regering-Trump in Washington, zal zo’n uitkomst niet accepteren. Peking kan zich opmaken voor verdere maatregelen om de Chinese export aan banden te leggen en zal zijn economische model daarop moeten aanpassen. Of Peking daartoe in staat is, blijft een open vraag.
De standpunten die in dit artikel worden verwoord, zijn de meningen van de auteur en komen niet noodzakelijkerwijs overeen met de standpunten van The Epoch Times.
Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (11 september 2026): The World Comes Out Against China





