20 augustus 2026
Protesterende boeren reden in 2023 met hun tractoren naar de Brandenburger Tor in Berlijn. Jakob Berg/Shutterstock

De Europese Green Deal begint te wankelen

Europa’s centraal gestuurde klimaatbeleid botst op de economische realiteit, wat de groei verzwakt en politieke weerstand aanwakkert.

Commentaar

In het afgelopen decennium speelde Europa een leidende rol in het mondiale klimaatbeleid, met als hoogtepunt de lancering van de Europese Green Deal in 2019 — door Ursula von der Leyen omschreven als een “historisch moment”. Het initiatief moest van Europa tegen 2050 het eerste klimaatneutrale continent ter wereld maken, terwijl het tegelijk innovatie zou stimuleren en de industriële basis versterken.

Maar enkele jaren later zijn de resultaten ronduit teleurstellend. In plaats van haar doelstellingen te halen, wordt de Green Deal steeds vaker geassocieerd met hogere energieprijzen, een verzwakte concurrentiekracht en groeiende politieke weerstand. Het beleid heeft de verdeeldheid binnen de EU verdiept, de internationale relaties onder druk gezet en de druk op gezinnen en bedrijven verhoogd. Er zijn ook ernstige twijfels ontstaan over de haalbaarheid en de economische gevolgen op lange termijn.

Hoe groene ideologie Europa’s economie ondermijnt

De economische stagnatie van Europa wijst op een dieper structureel probleem in de energie- en klimaatstrategie — nauw verbonden met de koers die door de Europese Green Deal werd uitgezet. Sinds de invoering ervan is de concurrentiekracht sterk achteruitgegaan, met exploderende energieprijzen als kernprobleem. Elektriciteit is in Europa vandaag twee tot drie keer duurder dan in de Verenigde Staten en China, terwijl belastingen bijna een kwart van de totale kostprijs uitmaken.

Die evolutie is grotendeels het gevolg van politieke keuzes. De bindende EU-doelstellingen — klimaatneutraliteit tegen 2050 en een uitstootvermindering van 55 procent tegen 2030 — hebben het energieaanbod beperkt, terwijl Europa slechts zes procent van de wereldwijde uitstoot vertegenwoordigt. Tegelijk hebben de afbouw van kernenergie, de beperkingen op gas en de afhankelijkheid van wisselvallige hernieuwbare energiebronnen de energiezekerheid verzwakt en de prijsschommelingen vergroot.

Voor de industrie — waar energie tot 30 procent van de totale productiekosten kan uitmaken — is dit, samen met de CO₂-heffingen, uitgegroeid tot een zware handicap. Bedrijven schroeven hun activiteiten terug, verhuizen of sluiten de deuren, wat de de-industrialisering van het continent versnelt.

De auto-industrie illustreert die druk bijzonder duidelijk. De sector vertegenwoordigt meer dan 7 procent van het bbp van de EU en bijna 14 miljoen banen, maar staat onder zware druk door het verbod op verbrandingsmotoren vanaf 2035. Daardoor worden constructeurs gedwongen versneld over te schakelen op elektrische voertuigen, ondanks onopgeloste technologische problemen en beperkingen in de markt.

Zoals Mercedes-Benz-topman Ola Källenius waarschuwde, dreigt het beleid de sector “met volle snelheid tegen een muur” te laten rijden. De gevolgen zijn nu al zichtbaar: dalende productie, ingrijpende herstructureringen en grote jobverliezen — sinds 2020 gingen al 86.000 banen verloren, terwijl tegen 2035 nog eens tot 350.000 jobs op de tocht staan. Tegelijk zullen strengere regels de winsten tegen 2030 naar verwachting met zeven à acht procent doen dalen, waardoor de sector richting verliesgevendheid evolueert en Europa zijn leiderspositie in de autosector dreigt kwijt te raken.

Ook de landbouw is uitgegroeid tot een van de duidelijkste slachtoffers van de Green Deal. Strengere regels rond uitstoot, landgebruik, pesticiden en meststoffen drijven de kosten op en vergroten de onzekerheid over opbrengsten. Vooral kleine landbouwers worden getroffen, terwijl grote agrobedrijven hun positie verder versterken.

Doelstellingen zoals een halvering van het pesticidengebruik en de uitbreiding van biologische landbouw dreigen de productie aanzienlijk te doen dalen, met risico’s voor zowel de voedselzekerheid als het inkomen op het platteland. In plaats van landbouwers ruimte te geven om te innoveren en hun productiviteit te verhogen, beperken deze maatregelen de productiecapaciteit — wat leidt tot grootschalige protesten — waardoor zowel de concurrentiekracht als de duurzaamheid ondermijnd worden.

Samen vormen deze problemen geen losse incidenten, maar een bredere economische last. Volgens de Europese Commissie zal de transitie jaarlijks minstens 260 miljard euro extra investeringen vergen, terwijl de totale kost kan oplopen tot 12 procent van het Europese bbp — een last die steeds moeilijker te dragen wordt voor de Europese economie.

Het centrale-planningsprobleem van de Green Deal

De economische druk vertaalt zich nu steeds duidelijker in politieke weerstand. De voorbije jaren groeide het verzet tegen de Europese Green Deal overal op het continent — van landbouwers en industriële sectoren tot kiezers en politieke partijen. De Europese verkiezingen van 2024 bevestigden wat al langer zichtbaar was: de ooit dominante groene consensus begint uiteen te vallen.

Als reactie daarop is Brussel stilletjes begonnen met het terugschroeven van belangrijke onderdelen van het beleid — via afgezwakte regels, uitzonderingen en zelfs het vermijden van de term “Green Deal” zelf. Wat ooit werd voorgesteld als een historische omwenteling, lijkt nu langzaam te ontsporen.

Deze terugslag weerspiegelt een diepere mislukking. Hoewel de EU tussen 2021 en 2027 zo’n 584 miljard euro uittrok — meer dan een derde van haar totale begroting — leverde de Green Deal slechts beperkte milieuwinsten op, terwijl gezinnen en bedrijven met een zware economische factuur worden geconfronteerd. Zij krijgen te maken met hogere energieprijzen, meer belastingen en toenemende regeldruk.

Het probleem zit niet alleen in de uitvoering — het is structureel. De Green Deal steunt op centrale planning om een complexe energietransitie aan te sturen, terwijl beleidsmakers niet over de nodige informatie of prikkels beschikken om dat efficiënt te doen. Een van de grootste zwaktes is het gebrek aan technologische neutraliteit.

Toonaangevende fabrikanten pleiten voor een mix van elektrische aandrijving, hybrides, waterstof en synthetische brandstoffen, zodat verschillende technologieën vrij kunnen concurreren en de meest efficiënte oplossingen vanzelf naar voren komen. Brussel kiest daarentegen voor één enkele richting — en bepaalt daarmee in feite welke technologieën mogen overleven, terwijl de expertise van de industrie naar de achtergrond verdwijnt.

In zo’n systeem zijn de gevolgen voorspelbaar: verkeerde investeringen, verstoorde concurrentie en dure mislukkingen. Die problemen worden nog versterkt door Europa’s strenge klimaat van regelgeving. Binnen de Europese interne markt komen de bestaande barrières neer op een impliciete heffing van 44 procent op goederen en zelfs 110 procent op diensten, wat efficiëntie en innovatie verder afremt.

Duitsland illustreert die dynamiek bijzonder duidelijk. Het land gold jarenlang als de voortrekker van Europa’s groene transitie, maar zijn Energiewende — de uitbreiding van hernieuwbare energie gecombineerd met de uitstap uit kernenergie — kostte sinds 2002 ongeveer 686 miljard euro. Toch leverde dat slechts beperkte resultaten op, terwijl Duitse bedrijven vandaag tot vijf keer meer betalen voor elektriciteit dan hun Amerikaanse concurrenten. Een groot deel van de vooruitgang in hernieuwbare energie werd bovendien tenietgedaan door de sluiting van kerncentrales zonder uitstoot. Volgens schattingen had het behoud van de nucleaire capaciteit een uitstootvermindering van 73 procent kunnen opleveren tegen de helft van de kostprijs — een illustratie van de beperkingen van een ideologisch gestuurd beleid.

De vergelijking met de Verenigde Staten is veelzeggend. Daar daalde de uitstoot terwijl de economie sinds 1990 meer dan verdubbelde — vooral dankzij marktmechanismen, met name de overstap naar goedkoper aardgas en de groei van hernieuwbare energie. Die combinatie verminderde de uitstoot zonder vergelijkbare economische kosten op te leggen.

Europa koos intussen voor een strakker, meer door beleid gestuurd model, dat de prijzen opdreef en de economische groei afremde.

De belangrijkste les van de Green Deal is dan ook dat klimaatbeleid niet kan slagen wanneer het afstand neemt van de principes die Europa ooit welvarend maakten: vrij ondernemerschap, open markten, private innovatie en een beperkte overheid. Energietransities kunnen niet worden opgelegd via centrale planning, subsidies en politieke richtlijnen. Innovatie ontstaat uit concurrentie, experiment en marktsignalen — niet doordat overheden bepalen welke technologieën moeten winnen.

Van het American Institute for Economic Research (AIER)

Gepubliceerd door The Epoch Times (14 mei 2026): Europe’s Green Deal Is Unraveling