Commentaar
We leven in koortsachtige tijden. Het dagelijkse nieuws bereikt ons als een aaneenschakeling van culturele omwentelingen, institutionele ontwrichting en politieke versnippering. Daarbij hangt een alomtegenwoordig gevoel dat de morele grammatica van de westerse beschaving steeds instabieler wordt. Oude waarheden en overgeleverde zekerheden, ooit de vaste bakens waaraan samenlevingen zich oriënteerden, worden niet langer alleen ter discussie gesteld, maar systematisch gewantrouwd en steeds vaker openlijk verworpen.
Wat schuilt er onder deze onrust? In “The Desecration of Man: How the Rejection of God Degrades Our Humanity” (“De ontheiliging van de mens: hoe de afwijzing van God onze menselijkheid aantast”) betoogt Carl R. Trueman dat onze culturele wanorde op het diepste niveau voortkomt uit een crisis in ons begrip van de menselijke persoon zelf.
Trueman is hoogleraar bijbelse en theologische studies aan Grove City College, al maakt hij duidelijk dat zijn boek geen oefening in christelijke apologetiek is.
In wezen is het een werk van antropologie, een onderzoek naar de aard van de menselijke persoon en de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor menselijk welzijn. Onder de politieke controverses en ideologische conflicten die de hedendaagse cultuur domineren, ligt een fundamentelere vraag: wat is de mens? Waarvoor bestaat de mens? Het antwoord op die vraag bepaalt niet alleen onze morele en politieke orde, maar ook onze onderwijsinstellingen, ons begrip van rechten en uiteindelijk onze opvatting over beschaving zelf.
Trueman ontleent de term “sociaal imaginair” aan de Canadese filosoof Charles Taylor om te beschrijven hoe gewone mensen hun plaats in de wereld begrijpen. De centrale moderne aanname is die van het “expressief individualisme”, een mensbeeld waarin het zelf autonoom en zelfscheppend is, los van iedere transcendente morele orde of overgeleverde opvatting van de menselijke natuur.
Maar zodra de menselijke identiteit losgekoppeld wordt van elke objectieve beschrijving van wat de mens is, wordt de persoon steeds meer bepaald door niets anders dan verlangen, wil en zelfexpressie. Trueman schrijft: “De overtuiging dat wij autonome, ongebonden zelfscheppers zijn, ligt aan de basis van de antropologische crisis van onze tijd.”
Die formulering is cruciaal, want de crisis die hij beschrijft is niet louter politiek, cultureel of institutioneel. Het gaat om de kern van wat het betekent om mens te zijn. Onder onze hedendaagse conflicten schuilt een diepere onzekerheid over de vraag of de menselijke natuur überhaupt een vast karakter of doel bezit. Bestaat vrijheid uit zelfbeheersing — het gedisciplineerd ordenen van verlangens in overeenstemming met waarheid, morele verplichtingen en de ontwikkeling van deugdzaamheid? Of bestaat zij uit de eindeloze bevestiging van de wil — het verwerpen van alle overgeleverde grenzen in de zoektocht naar radicale autonomie en voortdurende zelfschepping?
Trueman herleidt deze crisis tot de lange erfenis van de Verlichting en haar poging om de mensheid van het transcendente te bevrijden. De oudere christelijke visie op de mens als geschapen naar Gods beeld, voorzien van morele verplichtingen en gericht op een hoger doel, maakte geleidelijk plaats voor een radicaal andere opvatting over de mens als een zichzelf scheppende wil.
Wat Max Weber omschreef als de “onttovering van de wereld” vormt een belangrijk onderdeel van dit verhaal. De sacramentele verbeelding van de christenheid, waarin de werkelijkheid een intrinsieke betekenis en morele orde bezat, werd verdrongen door een mechanistisch en materialistisch begrip van het bestaan. Het universum werd geen kosmos meer, maar een uurwerk. De natuur hield op iets eerbiedwaardigs en heiligs te zijn en werd grondstof voor consumptie en manipulatie.
De gevolgen van deze onttovering waren diepgaand. De beroemde uitspraak van Nietzsche dat “God dood is”, waar Trueman herhaaldelijk op terugkomt, was nooit slechts een atheïstische leus. Nietzsche begreep dat morele grenzen steeds moeilijker te rechtvaardigen worden zodra het transcendente verdwijnt. Bevrijd van elk van buitenaf opgelegd doel proberen mensen hun eigen scheppers te worden. Dit verlangen om alle grenzen te overstijgen en een goddelijke autonomie te verwerven is in wezen een Prometheïsche ambitie. Zoals de Grieken ons herinneren, is dat zelden een verhaal met een goede afloop.
Zoals Trueman opmerkt, lijkt het verlangen om grenzen te overstijgen zelf geen grenzen te kennen. Hij schrijft: “De revolutie die de moderniteit vertegenwoordigt, is een nooit eindigende revolutie. Het is niet zo dat oude overtuigingen, waarden en praktijken worden omvergeworpen en vervangen door iets nieuws en stabiels. Het omverwerpen zelf is het project geworden.”
Toch is de paradox die centraal staat in het moderne project — en die hier met grote kracht aan het licht wordt gebracht — dat het streven naar grenzeloze autonomie de mens niet verheft, maar hem uiteindelijk juist verlaagt. Want zodra wij het idee verwerpen dat mensen een vaste natuur bezitten, raakt ook de vrijheid zelf ontwricht. Identiteit wordt eindeloos kneedbaar. Het zelf wordt iets dat voortdurend moet worden opgebouwd, vormgegeven, opgevoerd, aangepast en opnieuw uitgevonden. Het resultaat is geen bevrijding, maar uitputting. Een beschaving die draait om expressief individualisme brengt uiteindelijk geen zelfverzekerde mensen voort, maar kwetsbare individuen.
Trueman weet bijzonder overtuigend aan te tonen hoe deze antropologie instellingen ver buiten de religieuze sfeer heeft hervormd. Onderwijs, rechtspraak, politiek en zelfs het gewone sociale leven gaan er steeds vaker van uit dat het hoogste goed bestaat uit de bevestiging van subjectieve identiteit. De oude taal van morele vorming, discipline, plicht en zelfbeheersing maakt plaats voor een therapeutisch vocabulaire dat draait om bevestiging en zelfexpressie.
De kracht van “The Desecration of Man” ligt juist in de stelling dat deze ontwikkelingen geen losstaande verschijnselen zijn. Ze vloeien allemaal voort uit een bepaald mensbeeld. Beschavingen bouwen onvermijdelijk instellingen die weerspiegelen wat zij geloven dat mensen zijn.
En hier blijkt Truemans titel bijzonder treffend. Zoals hij duidelijk maakt, betekent ontheiliging niet louter vernietiging. Het is het ontnemen van de heilige betekenis. Wat de moderniteit steeds vaker ontheiligt, is niet alleen religie, maar ook de mensheid zelf. Zodra de menselijke persoon wordt losgemaakt van het transcendente, wordt menselijke waardigheid kwetsbaar. Rechten worden instabiel omdat zij niet langer rusten op een stevige metafysische grondslag. De mens wordt in feite onderhandelbaar.
Trueman betreurt niet alleen moreel verval of bekritiseert hedendaagse ideologieën. Hij herinnert zijn lezers eraan dat het diepste conflict van onze tijd uiteindelijk niet gaat tussen links en rechts, progressief en conservatief, religieus en seculier. Het gaat om concurrerende opvattingen van wat een mens is.
Want als de menselijke persoon slechts het toevallige product is van blinde materiële krachten, een tijdelijke samenvoeging van biologische materie zonder intrinsiek doel of transcendente betekenis, dan beginnen begrippen als waardigheid, plicht, morele grenzen en zelfs vrijheid zelf hun samenhang te verliezen. De diepere morele fundamenten die dergelijke claims ooit begrijpelijk maakten, eroderen.
De psalmist vraagt: “Wat is de mens, dat Gij aan hem denkt?” (Psalm 8:4). Die vraag bezit een metafysische diepgang en kracht die de moderne seculiere cultuur steeds moeilijker lijkt te kunnen dragen. Zolang die vraag niet rechtstreeks wordt beantwoord, zullen onze institutionele crises, politieke versnippering en culturele verwarring alleen maar toenemen. Want als Trueman gelijk heeft, is antropologie uiteindelijk het lot.
De in dit artikel geuite opvattingen zijn die van de auteur en weerspiegelen niet noodzakelijkerwijs de standpunten van The Epoch Times.
Gepubliceerd door The Epoch Times (27 mei 2026): The Desecration of Man and the Crisis of Western Civilization
