Als we kijken naar de grote mythologieën en religies van de wereld en ons afvragen welk symbool – van alle mogelijke symbolen – het grootste, meest alomtegenwoordige en zeker het meest toegankelijke en begrijpelijke is, dan komt één antwoord duidelijk naar voren: licht. Naar mijn mening is er geen twijfel mogelijk.
Licht komt in alle religies en mythologieën voor; sterker nog, vaak wordt de zon als een god aanbeden. Maar als we kijken naar de twee religies waarmee we in het Westen het meest vertrouwd zijn, het jodendom en het christendom, zien we helemaal aan het begin van de Hebreeuwse geschriften dat God eerst licht schiep – licht dat in de duisternis schijnt (Genesis 1). En als we naar de christelijke geschriften gaan, vinden we de belichaming ervan in de woorden: “Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht van de wereld” (Johannes 9:5). Christus identificeert zichzelf niet louter als licht, maar als het licht.

In zekere zin zou dit ons niet moeten verbazen, want licht is voor het leven en de levensfuncties zelfs nog essentiëler dan iets dat op het eerste gezicht nog fundamenteler lijkt: water. En het idee van leven zonder licht roept allerlei associaties en gevolgen op. We kunnen letterlijk blind zijn, en we kunnen figuurlijk blind zijn. Blind zijn is geen goede zaak; het betekent wandelen in duisternis, en in het gnostische denken betekent het specifiek onwetendheid.
Dat gezegd hebbende, zien we echter dat, wanneer we sommige mythen nader beschouwen, er op een diep, archetypisch niveau vaak sprake is van letterlijke verblinding als noodzakelijke voorwaarde voor het verkrijgen van spiritueel inzicht.
Laten we twee verhalen nemen, waarvoor, in strikt wetenschappelijke termen, geen duidelijk bewijs bestaat dat ze uit een gedeelde traditie voortkomen: het Egyptische verhaal van Horus en het Noorse verhaal van Odin. De Horus-mythe behoort tot het oude Egypte, en de Odin-mythe behoort tot veel latere Noors-Germaanse culturen, vastgelegd rond de vroege middeleeuwen. Beide hebben echter te maken met ‘verblindingen’ die leerzaam zijn.
Verwond zicht, diepere visie
Het verhaal van Horus vertelt ons dat Horus in zijn strijd met Set, de god van de wanorde en de woestijn, een oog verliest. Toch wordt dit oog later hersteld, en in zijn herstelde vorm wordt het een van de krachtigste symbolen in de Egyptische religie: het Oog van Horus, dat genezing, heelheid en bescherming symboliseert. Het verlies is, met andere woorden, niet louter schade; het is de voorwaarde voor een diepere heelheid. Het oog moet gewond raken voordat het heel kan worden gemaakt.
In de Noorse traditie gaat Odin nog verder. Hij verliest zijn oog niet in de strijd; hij geeft het vrijwillig op en werpt het in de bron van Mimir in ruil voor wijsheid. Hier krijgt het patroon een meer doordachte vorm: het zicht verdwijnt niet zomaar – het wordt geofferd. En wat er wordt gewonnen is geen herstel, maar inzicht. Odin ziet minder van de zichtbare wereld, maar meer van wat eronder schuilgaat. De prijs van kennis is beperking.

De Grieken, van oudsher scherpzinnige waarnemers van de menselijke conditie, werken dit idee nog verder uit. In de figuur van Tiresias wordt blindheid juist de voorwaarde voor profetie. Hoewel hij zijn fysieke gezichtsvermogen kwijt is, is hij de enige die werkelijk ziet. En bij Oedipus is de beweging omgekeerd maar versterkt: hij bezit gezichtsvermogen, maar leeft in onwetendheid; pas wanneer hij zichzelf verblindt, komt hij tot inzicht. De implicatie is onmiskenbaar: mensen hebben niet alleen een gebrek aan gezichtsvermogen, ze zien in zekere zin verkeerd.
De Schrift en de paradox van het zien
De bijbelse traditie spreekt dit patroon niet tegen, maar transformeert het. De apostel Paulus wordt op de weg naar Damascus verblind. Pas na drie dagen, wanneer zijn gezichtsvermogen is hersteld, begint hij werkelijk te zien. En de woorden van Jezus Christus komen herhaaldelijk op deze paradox terug: “Zij zien, maar zien niet.” Fysiek zicht is, zo lijkt het, geen garantie voor de waarheid; sterker nog, het kan deze verbergen. We zien wat we verwachten te zien, wat we verlangen te zien, wat we geconditioneerd zijn te zien – en noemen dat de werkelijkheid.
Dit alles vindt zijn meest diepgaande poëtische uitdrukking in “De Goddelijke Komedie”. Dantes reis is onder andere een leerproces in het zien. In de hel leert hij de zonde helder te zien; in het vagevuur wordt zijn blik gezuiverd; en in het paradijs wordt het licht zo intens dat zijn gezichtsvermogen volledig wegvalt. Op het hoogste niveau is het niet zo dat we meer zien – het is dat onze gewone manier van zien verdwijnt. Het oog zelf moet opnieuw worden gevormd.
Onvruchtbaarheid en de aard van het kwaad
Maar er is nog een andere kant aan dit verhaal, een die het verlies van het gezichtsvermogen aanvult met iets dat even veelzeggend is: het verlies van de vruchtbaarheid. Terugkomend op Set: in zijn strijd met Horus wordt hij niet alleen verslagen, maar ook onvruchtbaar gemaakt. Horus verliest zijn oog, maar Set wordt ontmand. Als heer van de woestijn is dit volkomen passend. De woestijn, hoe uitgestrekt ze ook is, brengt niets voort. Geschat wordt dat het koninkrijk van Set – de woestijn – zo’n 96 procent van het landoppervlak van Egypte beslaat, maar het is de 4 procent land langs de Nijl waar het leven bloeit en waar Horus regeert. De woestijn is een plaats van afwezigheid, niet van groei.
Hier raken we aan een diepgaande metafysische intuïtie: het kwaad schept niet. Het vermindert, vervormt en maakt uiteindelijk leeg. Dit is precies het inzicht dat criticus John Freccero in zijn “Dante: The Poetics of Conversion” verwoordt, namelijk dat zonde “de incarnatie van het niets” is. In Dantes hel groeit niets; ontwikkelt zich niets; begint niets. Hoe dieper men afdaalt, hoe minder beweging, warmte en leven men aantreft. Het kwaad is, ondanks al zijn schijnbare macht, onvruchtbaar – een soort woestijn.
In dit licht bezien horen de twee archetypen – blindheid en onvruchtbaarheid – bij elkaar. Om werkelijk te zien, dat wil zeggen spiritueel te zien, moet iets in ons worden losgelaten: illusie, trots, valse zekerheid. Samson in het Oude Testament is hiervan een treffend voorbeeld. Wanneer hij verblind en vernederd is, en wanneer hij tot Jahweh bidt, vernietigt hij meer Filistijnen dan in al zijn eerdere heldendaden toen hij daadwerkelijk kon zien. Maar wanneer de waarheid volledig wordt verworpen, wanneer het zicht niet gezuiverd maar verdorven is, is het resultaat geen inzicht maar onvruchtbaarheid. Er is geen vrucht, omdat er geen deelname aan de werkelijkheid is.
Zo lost de paradox zichzelf op. Licht blijft het ultieme symbool – niet omdat het ons natuurlijke gezichtsvermogen streelt, maar omdat het de beperkingen ervan blootlegt. We beginnen niet in duisternis simpelweg omdat we niet kunnen zien. We beginnen in duisternis omdat we denken dat we dat wel kunnen. En dus is de les, zowel in mythen als in de Schrift, consistent: pas wanneer ons gewone gezichtsvermogen vernederd, gekwetst of opgegeven is, beginnen we eindelijk te zien – dat wil zeggen, echt te zien.
Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (25 maart 2026): Consulting Ancient Wisdom for the Price of Sight





