Een van de vreemdste, grappigste en uiteindelijk ook meest verontrustende verhalen uit het Oude Testament gaat over een man die kan zien wat anderen niet zien — en een dier dat kan zien wat hij niet ziet. De man is Bileam, een beroemde waarzegger of ziener. Het dier is zijn ezel. Het verhaal staat in het boek Numeri, hoofdstuk 22, wanneer de Israëlieten na hun lange zwerftocht door de woestijn het Beloofde Land naderen.
Balak, de koning van Moab, is doodsbang. Hij heeft gehoord wat Israël andere volken heeft aangedaan en vreest dat zijn eigen koninkrijk zal worden overspoeld. Omdat militaire kracht niet lijkt te volstaan, grijpt hij naar spirituele wapens.
Hij laat Bileam komen en belooft hem een flinke beloning als hij Israël wil vervloeken. Bileam zit echter met een probleem. God vertelt hem dat Israël gezegend is en niet vervloekt mag worden. Nadat Balak opnieuw boodschappers heeft gestuurd, die steeds meer aanzien genieten, vertrekt Bileam uiteindelijk naar Moab. Hij is gewaarschuwd dat hij alleen de woorden mag spreken die God hem ingeeft.
Dan begint de komedie. Bileam rijdt op zijn ezel wanneer een engel van de Heer met een getrokken zwaard op de weg verschijnt. Bileam ziet niets, maar zijn ezel wel. Het dier wijkt uit naar een veld. Bileam slaat de ezel.
Vervolgens gaat de engel staan op een plek waar het pad tussen twee muren van wijngaarden smaller wordt. De ezel probeert de engel wanhopig te ontwijken, drukt zich tegen de muur en beknelt daarbij Bileams voet. Opnieuw slaat Bileam de ezel.
Ten slotte verspert de engel een zo smalle doorgang dat ontsnappen onmogelijk is. De ezel kan niets anders meer doen dan gaan liggen. Bileam wordt woedend en slaat het dier voor de derde keer.
Hier zien we een van de grootste omkeringen in de Bijbelse literatuur. Bileam is een professionele ziener, een man die door koningen wordt geraadpleegd vanwege zijn vermeende uitzonderlijke spirituele inzicht. Toch kan hij de bovennatuurlijke werkelijkheid die zich recht voor zijn neus bevindt niet waarnemen. Zijn ezel kan dat wel. Wie is hier dan de echte ezel?

De grap wordt nog opmerkelijker wanneer God “de mond van de ezel opende” (Numeri 22:28), zoals de Bijbel van King James het zo treffend verwoordt, en het dier aan Bileam vraagt waarom hij hem drie keer heeft geslagen.
In het Oude Testament is er inderdaad maar één ander verhaal waarin een dier spreekt: de slang in de Hof van Eden, die wordt beschreven als “listiger dan al het gedierte van het veld” (Genesis 3:1). Daar draagt het sprekende dier bij aan de zondeval van de mensheid. Hier probeert het sprekende dier juist een man voor de ondergang te behoeden. Opmerkelijk genoeg lijkt Bileam helemaal niet van zijn stuk gebracht doordat zijn ezel plotseling begint te praten. In plaats daarvan gaat hij met het dier in discussie.
“Omdat je me hebt bespot”, antwoordt hij. Als ik een zwaard had, zegt hij, zou ik het dier doden. De ironie is treffend. Bileam klaagt dat hij geen zwaard heeft, terwijl er buiten zijn medeweten een engel met een getrokken zwaard recht voor hem staat.
Dan stelt de ezel een onthutsend eenvoudige vraag. Heb ik me eerder ooit zo gedragen? Bileam moet toegeven dat dit niet het geval is.
En hier krijgt de komedie een donkerder randje. Bileam kent dit dier. Hij rijdt er al jaren op. Het gedrag van de ezel is volkomen ongewoon. Toch vraagt hij zich niet af waarom zijn normaal zo betrouwbare ezel zich plotseling zo koppig gedraagt. In plaats daarvan reageert hij met geweld. Hij gaat ervan uit dat het obstakel dat de ezel opwerpt het probleem is.
Hoe vaak doen wij niet precies hetzelfde?
Iets staat onze vooruitgang in de weg. Een plan loopt mis. Iemand zegt nee. Een deur die zou moeten opengaan, blijft hardnekkig dicht. Onze eerste reactie kan frustratie of woede zijn. We zetten meer druk. We geven de hindernis de schuld.
Maar wat als die hindernis ons juist beschermt? Wat als datgene wat ons lijkt tegen te werken in werkelijkheid een vorm van goddelijke voorzienigheid is? Bileam denkt dat zijn ezel hem verhindert zijn bestemming te bereiken. In werkelijkheid voorkomt het dier dat hij wordt gedood.
Pas daarna — nadat God de mond van de ezel openende — opent Hij ook Bileams ogen en kan die de engel zien. De verhoudingen zijn volledig omgekeerd: de profeet is blind, het dier ziet. De meester gedraagt zich irrationeel, het dier handelt verstandig. De man die beweert toegang te hebben tot bovennatuurlijke kennis, kan het gewone gedrag van het dier onder hem niet verklaren. En het dier dat geacht wordt niet te kunnen spreken, moet zijn mond opendoen voordat de zogenaamd wijze man iets begint te begrijpen.

Dat roept een intrigerende vraag op: wat is het grootste wonder in dit verhaal? Dat een ezel spreekt, of dat een beroemde ziener die woorden van God ontvangt, niet meer in staat is te zien wat er voor zijn ogen gebeurt?
Dit sluit aan bij een veel groter Bijbels thema. Van Spreuken en Job tot Jesaja en Jeremia, en later in de leer van Christus en Paulus, waarschuwt de Schrift herhaaldelijk dat intelligentie, aanzien, deskundigheid en zelfs spirituele gaven geen garantie bieden op wijsheid. “Wees niet wijs in uw eigen ogen”, waarschuwt Spreuken. Jesaja roept op zijn beurt uit: “Wee hun die wijs zijn in hun eigen ogen.”
Onze vermeende wijsheid kan ons zelfs verhinderen helder te zien. Hoe sterker we ervan overtuigd zijn dat we de werkelijkheid begrijpen, hoe kleiner de kans dat we opmerken wanneer die werkelijkheid ons iets anders probeert duidelijk te maken.
Ja, inderdaad: opmerken wanneer de werkelijkheid ons iets anders probeert duidelijk te maken. We worden zelfgenoegzaam en gaan ervan uit dat we het allemaal wel weten.
En hier raken archeologie en literatuur elkaar op een intrigerende manier. In 1967 ontdekte een Nederlandse archeologische expeditie onder leiding van H.J. Franken in Deir ‘Alla, in Jordanië, fragmenten van een oude inscriptie waarin wordt verwezen naar “Bileam, zoon van Beor”. Dat wijst erop dat de Bijbelse Bileam mogelijk gebaseerd was op een historische figuur.
Misschien worden we daarom uitgenodigd om de werkelijkheid wat meer te benaderen zoals Sherlock Holmes dat doet. Terwijl iedereen om hem heen druk bezig is de “feiten” te selecteren die bij hun vertrouwde theorieën passen, merkt Holmes juist de kleine afwijking op — dat ongemakkelijke detail dat niet klopt. Vervolgens volgt hij het spoor, waar het ook naartoe leidt. Bileams ezel is zo’n afwijking: iets wat Bileam ertoe zou moeten brengen halt te houden, nog eens goed te kijken en zijn eigen kennis in twijfel te trekken.
Het probleem van Bileam is niet dat hij geen spirituele gaven bezit. Zijn latere profetieën laten zien dat hij die wel degelijk heeft. Zijn probleem gaat dieper: een gave bezitten is niet hetzelfde als moreel inzicht hebben. We kunnen slim zijn en toch dwaas handelen, geleerd zijn en toch blind blijven, begaafd zijn en toch de verkeerde weg inslaan. We kunnen zelfs de waarheid spreken terwijl onze eigen motieven gevaarlijk verward blijven.
Volgens de Bijbel is wijsheid zelden te herleiden tot intelligentie alleen. Echte wijsheid vraagt om meer: nederigheid, oplettendheid en de bereidheid de werkelijkheid te erkennen wanneer die ingaat tegen wat we willen geloven. Ons probleem is kortom dat we, wanneer de feiten niet bij onze theorie passen, geneigd zijn de feiten aan te passen in plaats van onze theorie.
Misschien schuilt er ook een les in de ezel zelf. De moderne beschaving heeft dieren vaak behandeld als wezens die ver onder de mens staan en wel over instinct, maar niet over verstand beschikken. De Bijbel kent de mens ongetwijfeld een bijzondere positie toe. Dat betekent echter niet dat de rest van de schepping ons niets te leren heeft.
De ezel reageert onmiddellijk op wat ze waarneemt. Bileam daarentegen zit gevangen in zijn eigen voornemen. Hij wil verder. Dus moet alles wat hem tegenhoudt wel verkeerd zijn. Tegenwoordig zouden we dit bevestigingsvooroordeel noemen, maar het bijbelverhaal brengt dit op een veel indrukwekkender manier in beeld. Bileam ziet alleen wat zijn eigen verlangen hem toestaat te zien.
Er zit nog een morele les in. Spirituele blindheid kan gemakkelijk leiden tot wreedheid. Omdat Bileam niet begrijpt wat er gebeurt, valt hij het onschuldige dier aan dat hem juist probeert te redden. Hoe vaak komt het in menselijke aangelegenheden voor dat degenen die als eersten gevaar zien, daar juist de dupe van worden omdat anderen niet kunnen of willen zien wat zij zien?
Uiteindelijk erkent Bileam zijn fout. Hij buigt voor de engel en bekent: “Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat u mij op de weg tegenhield.”
“Ik wist het niet.” Dat zijn misschien wel enkele van de belangrijkste woorden die iemand met vermeende kennis kan uitspreken. Ze doen zeker denken aan Socrates, wiens bijzondere aanspraak op wijsheid juist berustte op zijn besef van wat hij niet wist. Zoals Plato hem in de Apologie laat zeggen: “Ik denk niet dat ik weet wat ik niet weet.”

Ware wijsheid begint dus niet met het opstapelen van zekerheden, maar met de nederigheid om de grenzen van ons eigen waarnemingsvermogen te erkennen. Bileams ogen gaan pas open wanneer hij ontdekt dat de grote ziener niet heeft gezien wat er werkelijk gebeurde.
Het verhaal van Bileams ezel is komisch omdat de rollen zo volledig worden omgedraaid. Maar achter die komedie schuilt een serieuze waarheid over onszelf. We denken dat wijsheid betekent dat we verder kunnen kijken dan iedereen om ons heen. Soms begint ze veel dichter bij huis, namelijk met opmerken wat er daadwerkelijk voor onze neus gebeurt.
En wanneer de werkelijkheid herhaaldelijk anders uitpak dan wij verwachten, moeten we misschien niet als eerste reactie de ezel slaan.
Toch geeft de Bijbel het verhaal van Bileam een donkerder en tragischer einde. Hij heeft God ontmoet, Gods woord daadwerkelijk ontvangen en verkondigd wat Balak absoluut niet wil horen: Israël is gezegend en kan niet zomaar op bevel van een koning worden vervloekt.

Toch verandert Bileam niet door dit moment van inzicht. Latere Bijbelse overleveringen brengen hem in verband met de rampzalige verdorvenheid van Israël bij Peor. Wanneer Israël vervolgens ten strijde trekt tegen Midian, wordt ook “Bileam, de zoon van Beor, met het zwaard gedood”. De man die het getrokken engelenzwaard ooit niet kon zien, vindt uiteindelijk de dood door datzelfde zwaard.
Die laatste ironie zou ons aan het denken moeten zetten. De tragedie van Bileam is niet simpelweg dat hij blind was, want ieder van ons is ergens blind voor. Het tragische is dat hij, nadat zijn ogen eenmaal waren geopend, kennelijk niet leefde naar wat hij had gezien.
Misschien is de vraag die dit verhaal ons nalaat daarom niet alleen of we kunnen zien, maar ook of we bereid zijn te veranderen wanneer de werkelijkheid onze vertrouwde aannames tegenspreekt. Voordat we een hindernis de schuld geven, een onschuldig wezen aanvallen of volhouden dat onze eigen weg de juiste is, kunnen we onszelf beter één nederige vraag stellen: wat kan de ezel zien dat wij niet zien?
De Bijbelcitaten zijn afkomstig uit de King James Version.
Gepubliceerd door The Epoch Times (13 oktober 2026): Balaam and His Donkey: Who’s the Fool Now, Then?





