donderdag, 23 sep 2021
Een konvooi van tanks van het Volksbevrijdingsleger passeert op 1 oktober 1999 voor het Tiananmenplein in Peking tijdens een parade op de nationale feestdag. (Robyn Beck/AFP via Getty Images)

De CCP wordt 100: een eeuw van moord en bedrog

Nieuws Analyse

Opmerking van de redactie: Sommige verhalen in dit artikel bevatten schokkende informatie over foltering en andere vormen van vernederende behandeling.

De Chinese Communistische Partij (CCP), die in juli 1921 werd opgericht, heeft een eeuw lang dood en verderf gezaaid onder de Chinese bevolking.

Gewapend met de marxistische ideologie van “strijd” als leidraad, heeft de CCP tal van bewegingen gelanceerd die gericht waren tegen een lange lijst van vijandige groepen: spionnen, landheren, intellectuelen, ontrouwe ambtenaren, pro-democratische studenten, religieuze gelovigen en etnische minderheden.

Met elke campagne beoogde de Partij een “communistische hemel op aarde” te creëren. Maar keer op keer zijn de resultaten hetzelfde: massaal lijden en dood. Intussen hebben enkele elite-functionarissen van de CCP en hun families ongelofelijk veel macht en rijkdom vergaard.

Meer dan 70 jaar partijheerschappij hebben geleid tot de dood van tientallen miljoenen Chinezen en de ontmanteling van een 5.000 jaar oude beschaving.

Hoewel China de afgelopen decennia economische vooruitgang heeft geboekt, blijft de CCP een marxistisch-leninistisch regime dat erop uit is haar greep op China en de wereld te verstevigen. Miljoenen gelovigen, etnische minderheden en dissidenten worden nog steeds gewelddadig onderdrukt.

Hieronder volgt een overzicht van enkele van de belangrijkste gruweldaden die de CCP in haar 100-jarige geschiedenis heeft begaan.

Het Anti-Bolsjewistische Liga incident

Minder dan tien jaar na de oprichting van de Partij begon Mao Zedong, die toen aan het hoofd stond van een door de communisten gecontroleerd gebied in de provincie Jiangxi in Zuidoost-China, een politieke zuivering van zijn rivalen, bekend als het Anti-Bolsjewistische Liga incident. Mao beschuldigde zijn rivalen ervan te werken voor de Anti-Bolsjewistische Liga, de inlichtingendienst van de Kuomintang, China’s regeringspartij in die tijd.

Het resultaat was dat duizenden leden van het Rode Leger en van de Partij werden gedood in de zuiveringsactie.

De campagne, die een jaar duurde en in de zomer van 1930 begon, was de eerste in een reeks bewegingen onder leiding van de paranoïde leider die mettertijd alleen maar bloediger en omvangrijker werden. Het massale bloedbad duurde tot Mao’s dood in 1976.

Hoewel niet precies bekend is hoeveel leden van de CCP tijdens de campagne werden gedood, schreef de Chinese historicus Guo Hua in een artikel uit 1999 dat binnen een maand 4.400 van de 40.000 leden van het Rode Leger waren gedood, waaronder tientallen militaire leiders. Binnen een paar maanden had het CCP-comité in het zuidwesten van Jiangxi meer dan 1.000 van zijn niet-militaire leden gedood.

Aan het eind van de beweging meldde het CCP-comité van Jiangxi dat 80 tot 90 procent van de CCP-functionarissen in de regio ervan beschuldigd waren spionnen te zijn en waren geëxecuteerd.

Ook familieleden van hoge ambtenaren werden vervolgd en gedood, aldus het rapport. De martelmethoden die volgens Guo werden toegepast op CCP-leden omvatten het verbranden van hun huid, het afsnijden van de borsten van vrouwen, en bamboestokken onder hun vingernagels duwen.

Mao woont een conferentie bij over kunst en literatuur in Yan’an in 1942. (Publiek domein)

De Yan’an rectificatie beweging

Nadat Mao partijleider was geworden, startte hij in 1942 de Yan’an rectificatie beweging – de eerste ideologische massabeweging van de CCP. Vanuit de basis van de CCP in het afgelegen berggebied van Yan’an in de noordwestelijke provincie Shaanxi, gebruikten Mao en zijn loyalisten de bekende tactiek om zijn rivalen ervan te beschuldigen spionnen te zijn, om zo hoge ambtenaren en andere partijleden te zuiveren.

Alles bij elkaar werden zo’n 10.000 CCP-leden gedood.

Tijdens de beweging werden mensen gemarteld en gedwongen te bekennen dat ze spionnen waren, schreef Wei Junyi in 1998 in een boek.

“Iedereen werd een spion in Yan’an, van middelbare scholieren tot basisschoolleerlingen,” schreef Wei, die toen redacteur was van het door de staat gecontroleerde persbureau Xinhua. “Twaalfjarigen, 11-jarigen, 10-jarigen, zelfs een 6-jarige spion werd ontdekt!”

Het tragische lot van de familie van Shi Bofu, een plaatselijke schilder, werd in Wei’s boek verhaald. In 1942 beschuldigden ambtenaren van de CCP Shi er plotseling van een spion te zijn en hielden hem vast. Die nacht beroofde de vrouw van Shi, die het waarschijnlijke doodvonnis van haar man niet kon verwerken, zichzelf en haar twee jonge kinderen van het leven. Uren later vonden ambtenaren haar en de lichamen van de kinderen en verkondigden publiekelijk dat Shi’s vrouw een “diepe haat” koesterde jegens de Partij en het volk, en dus de dood had verdiend.

Een Chinese landeigenaar wordt geëxecuteerd door een communistische soldaat in Fukang, China. (Publiek domein)

Landhervorming

In oktober 1949 nam de CCP de macht in China over, en Mao werd de eerste leider van het regime. Mao mobiliseerde de armste boeren van het land om met geweld het land en andere bezittingen in beslag te nemen van degenen die als landheren werden beschouwd – veelal boeren die het beter hadden. Miljoenen stierven.

Mao werd er in 1949 van beschuldigd een dictator te zijn en hij erkende dat.

“Mijne heren, u hebt gelijk, dat is precies wat we zijn,” schreef hij, volgens China File, een tijdschrift uitgegeven door het Center on U.S.-China Relations van de Asia Society. Volgens Mao moesten de communisten aan de macht dictatoriaal optreden tegen de “loopjongens van het imperialisme”, “de klasse van landheren en de bureaucratische bourgeoisie”, en “reactionairen en hun handlangers”, die verbonden waren met de oppositiepartij Kuomintang.

Natuurlijk waren het de communisten die beslisten wie er als “loopjongen”, “reactionair” of zelfs als “landheer” zou worden aanzien.

“Veel van de slachtoffers werden doodgeslagen en sommigen doodgeschoten, maar in veel gevallen werden ze eerst gemarteld om ze hun al dan niet ingebeelde bezittingen te laten onthullen,” aldus historicus Frank Dikötter, die nauwgezet Mao’s wreedheid heeft opgetekend.

Het boek “The Bloody Red Land” uit 2019 beschrijft het verhaal van Li Man, een overlevende landheer uit het zuidwesten van China’s Chongqing. Nadat de CCP aan de macht kwam, beweerden ambtenaren dat Li’s familie 1,5 ton goud had verstopt. Dit was echter niet waar, want de familie was jaren eerder failliet gegaan door de drugsverslaving van Li’s vader.

Omdat hij geen goud had om aan de CCP te geven, werd Li tot op de rand van de dood gemarteld.

“Ze trokken mijn kleren uit en bonden mijn handen en voeten aan een paal. Daarna bonden ze een touw rond mijn genitaliën en bonden een steen aan mijn voeten,” vertelde Li. Hij zei dat ze het touw vervolgens aan een boom hingen. Onmiddellijk gutste er “bloed uit mijn navel,” zei Li.

Li werd uiteindelijk gered door een ambtenaar van de CCP die hem naar het huis van een dokter in de Chinese geneeskunde stuurde. Zelfs nadat hij ernstige verwondingen aan zijn inwendige organen en geslachtsdelen had opgelopen, beschouwde Li zichzelf nog als gelukkig. Tien andere mensen die op hetzelfde moment als Li werden gemarteld stierven allemaal. In de volgende maanden werden Li’s naaste familieleden en uitgebreide familie de één na de ander doodgemarteld.

Als gevolg van de martelingen verloor Li – hij was toen 22 jaar oud – zijn mannelijkheid. Tijdens de daaropvolgende bewegingen van de CCP zou Li nog verschillende keren gemarteld worden, wat hem zijn gezichtsvermogen kostte.

Een uitgehongerd gezin, datum onbekend (Publiek domein)

Grote Sprong Voorwaarts

In 1958 lanceerde Mao ‘de Grote Sprong Voorwaarts’ – een vier jaar durende campagne die het land moest aanzetten tot een exponentiële verhoging van de staalproductie terwijl de landbouw werd gecollectiviseerd. Het doel was, zoals Mao’s slogan luidde, om “Groot-Brittannië te overtreffen en Amerika in te halen”.

Boeren kregen de opdracht ovens in de achtertuin te bouwen om staal te maken, waardoor landbouwgrond ernstig werd verwaarloosd. Bovendien stelden overijverige plaatselijke ambtenaren, die bang waren als “achterblijvers” te worden gebrandmerkt, onrealistisch hoge oogstquota vast. Het gevolg was dat de boeren niets meer te eten hadden nadat ze het grootste deel van hun oogst als belasting hadden afgedragen.

Wat volgde was de ergste door de mens veroorzaakte ramp in de geschiedenis: de Grote Hongersnood, waarbij tientallen miljoenen mensen van 1959 tot 1961 de hongerdood stierven.

Uitgehongerde boeren zochten hun voedsel bij wilde dieren, gras, schors en zelfs kaoliniet, een kleimineraal. Extreme honger dreef velen ook tot kannibalisme.

Er zijn gevallen bekend van mensen die de lijken aten van vreemden, vrienden en familieleden, en van ouders die hun kinderen doodden voor voedsel – en vice versa.

Jasper Becker, die het Grote Sprong Voorwaarts verslag “Hongerige Geesten” schreef, zei dat Chinezen uit pure wanhoop gedwongen werden zich in te laten met het verkopen van mensenvlees op de markt, en het ruilen van kinderen zodat ze niet hun eigen kinderen zouden opeten.

In 13 provincies waren er in totaal 3.000 tot 5.000 geregistreerde gevallen van kannibalisme.

Becker merkt op dat het kannibalisme in China eind jaren ’50 en begin jaren ’60 waarschijnlijk plaatsvond “op een schaal die ongekend is in de geschiedenis van de 20e eeuw.”

De Chinese historicus Yu Xiguang vond in de jaren ’80 een archieffoto uit zijn geboortedorp in de provincie Hunan. Daarop zou een man, Liu Jiayuan, staan naast het hoofd en de botten van zijn één jaar oude zoon. Liu werd uiteindelijk geëxecuteerd voor moord.

Yu interviewde later Liu’s overlevende familieleden in de jaren 2000 om het verhaal te verifiëren. Hij schreef in een verslag: “Liu Jiayuan was extreem uitgehongerd. Hij doodde zijn zoon en kookte [het vlees tot] een grote maaltijd. Voordat hij zijn eten op had, ontdekten zijn familieleden zijn misdaad en gaven hem aan bij de politie. Daarna werd hij gearresteerd en geëxecuteerd.”

Maar liefst 45 miljoen mensen stierven tijdens de Grote Sprong Voorwaarts, volgens historicus Dikötter, auteur van “Mao’s Grote Hongersnood.”

Kaderleden van de Communistische Partij hangen een plakkaat om de nek van een Chinese man tijdens de Culturele Revolutie in 1966. De tekst op het bord vermeldt de naam van de man en beschuldigt hem ervan lid te zijn van de “zwarte klasse”. (Publiek domein)

Culturele revolutie

Na de catastrofale mislukking van de Grote Sprong Voorwaarts, lanceerde Mao, die voelde dat hij zijn greep op de macht aan het verliezen was, in 1966 de Culturele Revolutie in een poging om de Chinese bevolking te gebruiken om de controle over de CCP en het land te herwinnen. Mao creëerde een persoonlijkheidscultus en wilde “de gezagsdragers die de kapitalistische weg bewandelen verpletteren” en zijn eigen ideologieën versterken, volgens een vroege richtlijn.

Gedurende tien jaar van opgedragen chaos werden miljoenen mensen gedood of tot zelfmoord gedreven in door de staat opgedragen geweld, terwijl ijverige jonge ideologen, de beruchte Rode Gardes, door het land trokken om China’s tradities en erfgoed te vernietigen en te denigreren.

De partij moedigde mensen uit alle lagen van de bevolking aan om collega’s, buren, vrienden en zelfs familieleden te verklikken die als “contrarevolutionairen” – mensen met politiek incorrecte gedachten of gedragingen – bestempeld werden.

De slachtoffers, onder wie intellectuelen, kunstenaars, ambtenaren van de CCP en anderen die als “klassenvijanden” werden beschouwd, werden onderworpen aan rituele vernedering door middel van “strijd sessies” – openbare bijeenkomsten waar de slachtoffers gedwongen werden hun vermeende misdaden toe te geven en fysiek en verbaal geweld van de menigte te verduren, voordat ze werden vastgezet, gemarteld en naar het platteland gestuurd voor dwangarbeid.

De traditionele Chinese cultuur en tradities waren een direct doelwit van Mao’s campagne om de “Vier Oude” uit te roeien – oude gebruiken, oude cultuur, oude gewoonten en oude ideeën. Als gevolg daarvan werden ontelbare culturele relikwieën, tempels, historische gebouwen, standbeelden en boeken vernietigd.

Zhang Zhixin, een elitemedewerker van de CCP die werkzaam was in het provinciebestuur van Liaoning, was één van de slachtoffers van de campagne. Volgens een verslag van de Chinese media na de Culturele Revolutie, deed een collega in 1968 aangifte tegen Zhang nadat zij tegen die collega had gezegd dat zij sommige acties van de CCP niet begreep. De 38-jarige werd vervolgens vastgehouden in een plaatselijk opleidingscentrum voor partij-kaderleden, waar meer dan 30.000 personeelsleden van de provinciale regering werden vastgehouden.

Tijdens haar detentie weigerde ze toe te geven dat ze iets verkeerd had gedaan en bleef ze bij haar politieke opvattingen. Ze was zeer loyaal aan de Partij, maar was het niet eens met een aantal van Mao’s beleidslijnen. Ze werd naar de gevangenis gestuurd.

Daar leed Zhang verschrikkelijk omdat ambtenaren haar probeerden te dwingen haar standpunten op te geven. Gevangenisbewakers gebruikten ijzerdraad om haar mond open te houden en duwden er dan een vuile dweil in. Ze bonden haar handen achter haar rug en hingen een blok ijzer van 40 pond aan de kettingen. Provinciale CCP-functionarissen rukten zelfs al haar haar uit, en bewakers regelden vaak dat mannelijke gevangenen haar in groep verkrachtten.

Zhang probeerde zelfmoord te plegen maar slaagde daar niet in, waardoor de gevangenisbeambten hun controle verscherpten. Haar man werd ook gedwongen van haar te scheiden. Begin 1975 was Zhang krankzinnig geworden. In april van dat jaar werd ze geëxecuteerd door een vuurpeloton. Voordat ze werd doodgeschoten, sneden de gevangenisbewakers haar luchtpijp door om haar het zwijgen op te leggen. Ze stierf op 45-jarige leeftijd.

Tijdens Zhangs gevangenschap werden haar man en twee jonge kinderen gedwongen hun relatie met haar te verbreken. Toen ze hoorden van haar dood, durfden ze niet eens te huilen uit angst dat ze gehoord zouden worden door buren die hen zouden aanklagen voor het koesteren van wrok tegen de Partij.

De rampzalige beweging eindigde in oktober 1976, minder dan een maand na Mao’s dood.

De erfenis van de Culturele Revolutie gaat volgens Dikötter veel verder dan de verwoeste levens.

“Het is niet zozeer de dood die de Culturele Revolutie kenmerkte, het was het trauma,” vertelde hij in 2016 aan NPR.

“Het was de manier waarop mensen tegen elkaar werden opgezet, verplicht werden om familieleden, collega’s, vrienden aan te geven. Het ging over verlies, verlies van vertrouwen, verlies van vriendschap, verlies van geloof in andere mensen, verlies van voorspelbaarheid in sociale relaties. En dat is de echte stempel die de Culturele Revolutie heeft achtergelaten.”

Een jong verweesd Chinees meisje zit in een wieg in een pleegzorgcentrum in Beijing op 2 april 2014. (Kevin Frayer/Getty Images)

Eén-kind beleid

In 1979 lanceerde het regime de “één-kind-politiek”, die koppels verbood om meer dan één kind te krijgen, in een campagne die ogenschijnlijk bedoeld was om de levensstandaard te verhogen door de bevolkingsgroei te beteugelen. Het beleid leidde tot wijdverbreide gedwongen abortussen, gedwongen sterilisaties en kindermoord. Volgens gegevens van het Chinese ministerie van Volksgezondheid, geciteerd door de Chinese staatsmedia, werden er van 1971 tot 2013 336 miljoen abortussen uitgevoerd.

Xia Runying, een dorpsbewoner uit de provincie Jiangxi die te maken kreeg met gedwongen sterilisatie, schreef in 2013 in een openbare brief dat haar familie had gevraagd om de operatie uit te stellen vanwege haar slechte gezondheid. De plaatselijke ambtenaar zei echter dat ze de operatie zouden uitvoeren, zelfs als ze met touwen moest worden vastgebonden.

Na de operatie begon ze bloed te plassen en hoofd- en maagpijn te krijgen. Later kon ze niet meer werken.

Het regime heeft in 2013 het één-kind-beleid afgeschaft en stond toen twee kinderen toe. Op 31 mei kondigde het aan dat gezinnen drie kinderen mogen krijgen.

Een meisje dat gewond is geraakt tijdens de botsing tussen het leger en studenten op 4 juni 1989, in de buurt van het Plein van de Hemelse Vrede, wordt op een kar naar buiten gedragen. (MANUEL CENETA/AFP/Getty Images)

Bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede

Wat begon als een studentenbijeenkomst om te rouwen om de dood van de hervormingsgezinde voormalige Chinese leider Hu Yaobang in april 1989, veranderde in de grootste protesten die het regime ooit had gezien. Universiteitsstudenten die op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking bijeenkwamen, vroegen de CCP de ernstige inflatie onder controle te krijgen, de corruptie van ambtenaren in te dammen, verantwoordelijkheid te nemen voor fouten uit het verleden en een vrije pers en democratische ideeën te steunen.

Tegen mei hadden studenten uit heel China en inwoners van Peking uit alle lagen van de bevolking zich bij het protest aangesloten. Overal in het land ontstonden soortgelijke demonstraties.

De leiders van de CCP gingen niet in op de verzoeken van de studenten.

In plaats daarvan gaf het regime het leger de opdracht het protest de kop in te drukken. Op de avond van 3 juni rolden tanks de stad binnen en omsingelden het plein. Vele ongewapende demonstranten werden gedood of verminkt nadat ze door tanks waren verpletterd of door soldaten waren neergeschoten die zonder onderscheid op de menigte schoten. Naar schatting zijn duizenden mensen omgekomen.

Lily Zhang, die hoofdverpleegster was in een ziekenhuis in Beijing op 15 minuten lopen van het plein, vertelde The Epoch Times over het bloedvergieten van die nacht. Ze werd wakker van het geluid van geweervuur en haastte zich op de ochtend van 4 juni naar het ziekenhuis nadat ze van het bloedbad had gehoord.

Ze was geschokt toen ze in haar ziekenhuis aankwam en een “oorlogszone-achtige” scène aantrof. Een andere verpleegster vertelde haar snikkend dat de plas bloed van gewonde demonstranten “een rivier vormde in het ziekenhuis”.

In Zhang’s ziekenhuis waren er minstens 18 gestorven tegen de tijd dat ze de faciliteit werden binnengedragen.

De soldaten gebruikten “dum-dum” kogels, die uitzetten in het lichaam van het slachtoffer en verdere schade toebrachten, zei Zhang. Velen liepen ernstige verwondingen op en bloedden zo hevig dat het “onmogelijk was hen te reanimeren”.

Aan de poort van het ziekenhuis vertelde een zwaargewonde verslaggever van de China Sports Daily, een staatsbedrijf, aan de twee gezondheidswerkers die hem droegen dat hij “zich niet had kunnen voorstellen dat de Chinese Communistische Partij echt het vuur zou openen”.

“Ongewapende studenten en burgers neerschieten – wat is dat voor een regeringspartij?” waren zijn laatste woorden, herinnerde Zhang zich.

De toenmalige Chinese leider Deng Xiaoping, die opdracht gaf tot het bloedige optreden, werd een maand voor het bloedbad in mei 1989 in een Brits regeringskabinet geciteerd met de woorden dat “tweehonderd doden China 20 jaar vrede zouden kunnen brengen”.

Tot op de dag van vandaag weigert het regime het aantal slachtoffers van het bloedbad of hun namen bekend te maken en doet het alles wat het kan om informatie over het incident achter te houden.

Twee politieagenten in burger arresteren een Falun Gong beoefenaar op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking, op 31 december 2000. (Minghui.org)

Vervolging van Falun Gong

Een decennium later besloot het regime opnieuw een bloedige onderdrukking door te voeren.

Op 20 juli 1999 begonnen de autoriteiten een grootscheepse campagne tegen de naar schatting 70 tot 100 miljoen beoefenaars van Falun Gong, een spirituele praktijk die meditatieve oefeningen en morele leringen omvat rond de waarden van waarachtigheid, mededogen en verdraagzaamheid.

Volgens het Falun Dafa Informatiecentrum, een website voor Falun Gong-gerelateerde informatie, zijn miljoenen beoefenaars ontslagen van hun baan, van school gestuurd, gevangen gezet, gemarteld of gedood, alleen maar omdat ze weigerden hun geloof op te geven.

In 2019 bevestigde een onafhankelijk volkstribunaal in Londen dat het regime gedwongen orgaanoogst had uitgevoerd “op een aanzienlijke schaal” en dat gevangen Falun Gong beoefenaars “waarschijnlijk de voornaamste bron” waren.

He Lifang, een 45-jarige Falun Gong beoefenaar uit Qingdao, een stad in de provincie Shandong, stierf nadat hij twee maanden in hechtenis had gezeten. Zijn familieleden zeiden dat er incisies waren op zijn borst en rug. Volgens Minghui.org – een website die fungeert als ‘clearinghouse’ voor verslagen over de vervolging van Falun Gong- zag zijn gezicht eruit alsof hij pijn had en had hij wonden over zijn hele lichaam.

Een omheining wordt gebouwd rond wat officieel bekend staat als een opleidingscentrum voor beroepsvaardigheden in Dabancheng, provincie Xinjiang, China, op 4 sept. 2018. (Thomas Peter/Reuters)

Onderdrukking van religieuze en etnische minderheden

Om zijn heerschappij te handhaven, heeft het CCP-regime een groot aantal etnische Han-Chinezen overgebracht naar Tibet, Xinjiang en Binnen-Mongolië, waar etnische groepen leven met hun eigen culturen en talen. Het regime dwong plaatselijke scholen het Mandarijn-Chinees als officiële taal te gebruiken.

In 2008 protesteerden Tibetanen om uiting te geven aan hun woede over de controle van het regime. Als reactie daarop zette het regime de politie in. Honderden Tibetanen werden gedood.

Sinds 2009 zijn meer dan 150 Tibetanen tot zelfverbranding overgegaan, in de hoop dat hun dood een einde zou maken aan de strenge controle van het regime in Tibet.

Het regime wordt ervan beschuldigd In Xinjiang genocide te hebben gepleegd op Oeigoeren en andere etnische minderheden, onder meer door een miljoen mensen vast te houden in geheime kampen voor “politieke heropvoeding”.

Vorig jaar heeft het regime in Peking een nieuw beleid ingevoerd dat voorschrijft dat op sommige scholen in Binnen-Mongolië uitsluitend Mandarijn-Chinees wordt onderwezen. Toen ouders en leerlingen protesteerden, werden zij bedreigd met arrestatie, opsluiting en verlies van hun baan.

Het regime gebruikt ook een bewakingssysteem om etnische groepen in de gaten te houden. In Tibetaanse kloosters zijn bewakingscamera’s geplaatst, en in Xinjiang worden biometrische gegevens verzameld.

Eva Fu, Jack Phillips, Leo Timm, en Cathy He hebben bijgedragen aan dit verslag.

Nicole Hao is een in Washington gevestigde verslaggeefster die zich richt op China-gerelateerde onderwerpen. Voordat ze in juli 2009 bij de Epoch Media Group kwam, werkte ze als global product manager voor een spoorwegbedrijf in Parijs, Frankrijk.

Origineel gepubliceerd door The Epoch Times (30 juni 2021): CCP at 100 Years: A Century of Killing and Deceit

Hoe u ons kunt helpen om u op de hoogte te blijven houden

Epoch Times is een onafhankelijke nieuwsorganisatie die niet beïnvloed wordt door een regering, bedrijf of politieke partij. Vanaf de oprichting is Epoch Times geconfronteerd met pogingen om de waarheid te onderdrukken – vooral door de Chinese Communistische Partij. Maar we zullen niet buigen. De Nederlandstalige editie van Epoch Times biedt op dit moment geen betalende abonnementen aan en aanvaardt op dit moment geen donaties. U kan echter wel bijdragen aan de verdere groei van onze publicatie door onze artikelen te liken en te her-posten op sociale media en door uw familie, vrienden en collega’s over Epoch Times te vertellen. Deze dingen zijn echt waardevol voor ons.