Mensen van eind dertig zijn doorgaans nog altijd alert, zonder tekenen van geheugenproblemen. Toch kan de hoeveelheid vitamine D in hun bloed nu al invloed hebben op hoe hun hersenen er rond hun vijftigste uitzien.
Een recente studie onderzocht de vitamine D-spiegel op middelbare leeftijd en bekeek vervolgens ongeveer 16 jaar later hersenscans van de deelnemers, die op dat moment nog altijd geen tekenen van dementie vertoonden. Mensen met een lagere vitamine D-spiegel bleken vaker hersenveranderingen te hebben die in verband worden gebracht met de ziekte van Alzheimer.
“Het aanpakken van een vitamine D-tekort op middelbare leeftijd is bijzonder belangrijk, omdat je de ziekte dan in een veel vroeger stadium kunt beïnvloeden”, zegt Martin Mulligan, hoofdauteur van de studie aan de Universiteit van Galway in Ierland, tegen The Epoch Times. Daardoor ontstaat volgens hem een veel grotere kans om in te grijpen voordat geheugenverlies of symptomen van dementie optreden.
Vitamine D kan beschermen tegen vroege hersenveranderingen
De studie, gepubliceerd in Neurology Open Access, maakte gebruik van gegevens uit de Framingham Heart Study, een grootschalig, op de gemeenschap gebaseerd onderzoek dat meerdere generaties volgt en al jarenlang de ontwikkeling van dementie en hart- en vaatziekten in kaart brengt.
De deelnemers waren gemiddeld 39 jaar oud en hadden op het moment van de metingen geen dementie of hartziekte. De onderzoekers bepaalden eerst de vitamine D-spiegel in het bloed en zochten vervolgens gemiddeld 16 jaar later naar vroege, nog symptoomloze tekenen van dementie op hersenscans — toen de deelnemers gemiddeld halverwege de vijftig waren en nog steeds geen symptomen van dementie hadden.
Op de hersenscans werden amyloïde- en tau-eiwitten gemeten, twee kenmerkende eiwitten van de ziekte van Alzheimer. Amyloïde-eiwitten vormen plaques tussen hersencellen, terwijl tau-eiwitten kluwens vormen binnen neuronen. Beide kunnen zich jarenlang opstapelen voordat de eerste symptomen zichtbaar worden.
De deelnemers hadden gemiddeld een vitamine D-spiegel van 38 nanogram per milliliter (ng/ml), terwijl ongeveer 34 procent een waarde onder de 30 ng/ml had — de grens die in deze studie werd gebruikt voor een voldoende vitamine D-spiegel. Over het algemeen wordt een vitamine D-spiegel tussen ongeveer 20 en 50 ng/ml als voldoende beschouwd.
De resultaten lieten zien dat deelnemers met hogere vitamine D-spiegels op middelbare leeftijd minder tau-eiwitten in de hersenen hadden en ook minder ophoping van tau in hersengebieden die vroeg worden aangetast bij de ziekte van Alzheimer. Deze resultaten bleven overeind nadat rekening was gehouden met factoren zoals leeftijd, geslacht, body mass index (BMI), bloeddruk, een voorgeschiedenis van diabetes en de tijd tussen de bloedafname en de hersenscan.
Waarom wel tau en niet amyloïde?
Uit de studie bleek dat de vitamine D-spiegel niet samenhing met de hoeveelheid amyloïde-afzettingen.
Dat vitamine D wel verband hield met tau, maar niet met amyloïde, lijkt misschien verrassend, maar volgens de onderzoekers is daar een verklaring voor.
Tau-eiwitten kunnen zich al vroeg in het ziekteproces beginnen op te hopen in bepaalde hersengebieden, terwijl amyloïde-eiwitten zich geleidelijker in de loop van de tijd opstapelen.
“Omdat deze studie zich richtte op een relatief jonge groep deelnemers, denken we dat de vroege effecten op tau eenvoudiger waren vast te stellen op middelbare leeftijd, terwijl een aanzienlijke ophoping van amyloïde meestal pas veel later in het leven plaatsvindt”, aldus Mulligan.
Veel onderzoeken suggereren dat amyloïde-eiwitten zich al vroeg ophopen en zich vervolgens over grotere delen van de hersenen verspreiden, waardoor ze gemakkelijker kunnen worden opgespoord. Ander onderzoek wijst er juist op dat tau-eiwitten mogelijk nog eerder ontstaan, maar aanvankelijk beperkt blijven tot specifieke hersengebieden, zoals de entorinale cortex — een belangrijk gebied voor het geheugen — zelfs bij mensen zonder cognitieve klachten. In deze vroege fase kunnen tau-eiwitten zich lokaal ontwikkelen en verspreiden zonder aanwezigheid van amyloïde. Voor een bredere verspreiding van tau door de hersenen zouden amyloïde-eiwitten mogelijk wel noodzakelijk zijn.
De onderzoekers suggereren daarnaast dat vitamine D kan helpen om amyloïde-eiwitten vanuit de hersenen naar de bloedbaan te verplaatsen, waar ze vervolgens kunnen worden afgevoerd — een mechanisme dat mogelijk pas over een langere periode meetbaar wordt.
Hoe vitamine D de hersenen kan beschermen
“Vitamine D is technisch gezien een steroïdhormoon en geen echte vitamine”, zegt dr. Kat Toups, psychiater gespecialiseerd in functionele geneeskunde en klinisch onderzoeker, die niet bij de studie betrokken was, tegen The Epoch Times.
Volgens haar werkt vitamine D in het hele lichaam, inclusief de hersenen, waar het de activiteit reguleert van honderden genen die betrokken zijn bij het immuunsysteem, de gezondheid van de hersenen en celherstel.
Tau-eiwitten zijn essentiële eiwitten die helpen bij het transport van voedingsstoffen en signalen door neuronen. Bij de ziekte van Alzheimer ondergaan deze eiwitten chemische veranderingen, waardoor ze losraken, verkeerd opvouwen en samenklonteren tot kluwens die het transportsysteem van neuronen verstoren en uiteindelijk leiden tot celdood. Vitamine D lijkt invloed uit te oefenen op de enzymen die bij dit proces betrokken zijn en helpt zo de vorming van deze kluwens te voorkomen.
Daarnaast ondersteunt vitamine D de systemen van antioxidanten die neuronen beschermen tegen oxidatieve stress en ontstekingen — twee processen waarvan bekend is dat ze de schade door tau versnellen. Vitamine D-receptoren bevinden zich verspreid doorheen de hersenen — waaronder in geheugengerelateerde gebieden zoals de hippocampus — en ook in immuuncellen. Daardoor kan vitamine D zowel in de hersenen als in het immuunsysteem rechtstreeks bijdragen aan het reguleren van ontstekingen.
Een tekort aan vitamine D kan bovendien de groei en overleving van neuronen beïnvloeden, waardoor de kwetsbaarheid van de hersenen op de lange termijn verder toeneemt, zegt Joshua Miller, hoogleraar en voorzitter van de afdeling Voedingswetenschappen aan Rutgers University in New Jersey. Hij is auteur van een vergelijkbare studie naar het verband tussen vitamine D en dementie.
Waarom vroeg ingrijpen belangrijk is
De bevindingen suggereren dat het behouden van een gezonde vitamine D-spiegel op jongere leeftijd — en niet pas op latere leeftijd — belangrijk kan zijn, omdat de mogelijkheid om ziekteprocessen te beïnvloeden waarschijnlijk veel groter is voordat de eerste symptomen ontstaan.
Een studie onder meer dan 260.000 volwassenen liet zien dat lage vitamine D-spiegels samenhangen met een hoger risico op het ontwikkelen van dementie. Dat verband was het sterkst bij jongere deelnemers.
Een vitamine D-tekort veroorzaakt mogelijk niet direct merkbare klachten, maar kan op de lange termijn ongemerkt de gezondheid van de hersenen aantasten en zelfs bijdragen aan vroegtijdige dementie. Verschillende grote overzichtsstudies hebben aangetoond dat lage vitamine D-spiegels samenhangen met een verhoogd risico op de ziekte van Alzheimer en dementie. Daarbij neemt het risico verder toe naarmate de vitamine D-spiegel lager is.
Mensen met hogere vitamine D-spiegels ervaren doorgaans ook een langzamere achteruitgang van cognitieve functies, zoals geheugen, taalvaardigheid en het ruimtelijk inzicht. Uit één studie bleek dat vrouwen met een hogere vitamine D-spiegel op middelbare leeftijd tien jaar later beter presteerden op tests van executieve functies — vaardigheden zoals plannen, aandacht vasthouden, mentale flexibiliteit en probleemoplossend denken. Een andere studie liet zien dat mensen die op middelbare leeftijd meer vitamine D binnenkregen, ruim tien jaar later beter scoorden op tests voor het kortetermijngeheugen.
Wat kun je eraan doen?
Mulligan benadrukt dat de resultaten niet bewijzen dat het slikken van vitamine D-supplementen op middelbare leeftijd dementie voorkomt.
“Daarvoor hebben we nog geen definitief bewijs”, zegt hij, waarbij hij onderstreept dat langdurige klinische studies noodzakelijk zijn.
Wel staat vast dat een vitamine D-tekort veel voorkomt en vaak onopgemerkt blijft. Naar schatting heeft 30 tot 50 procent van de wereldbevolking een onvoldoende vitamine D-spiegel — en de meeste mensen weten dat niet, omdat een tekort zelden duidelijke symptomen veroorzaakt.
“Ik meet al dertien jaar bij al mijn patiënten de vitamine D-spiegel, en vrijwel niemand heeft een waarde boven de 30 zonder supplementen te gebruiken”, zegt Toups.
Veilige blootstelling aan zonlicht blijft een van de effectiefste manieren waarop het lichaam vitamine D kan aanmaken. Wel neemt het vermogen om vitamine D via zonlicht te produceren af naarmate mensen ouder worden. Ook mensen die weinig buiten komen, op noordelijke breedtegraden wonen, een donkere huid hebben of overgewicht hebben, lopen een groter risico op een tekort.
Praktische manieren om een gezonde vitamine D-spiegel te behouden
Met een eenvoudige bloedtest kan worden vastgesteld of je vitamine D-spiegel voldoende is. Artsen meten doorgaans 25-hydroxyvitamine D — de belangrijkste vorm van vitamine D in het bloed — en controleren zo nodig ook andere waarden, zoals calcium en fosfaat, om een tekort vast te stellen.
Een gezonde vitamine D-spiegel kun je ook ondersteunen met vitamine D-rijke voeding, zoals vette vis en verrijkte melkproducten. Daarnaast kan het zinvol zijn om met een arts te bespreken of voedingssupplementen nodig zijn.
Volgens Miller zijn deze strategieën in de praktijk echter niet altijd eenvoudig toe te passen. Sommige mensen hebben een lactose-intolerantie en gebruiken daarom weinig zuivel, terwijl anderen geen vette vis of paddenstoelen eten of daar moeilijk toegang toe hebben. Daarnaast is zonlicht vanaf de late herfst tot het vroege voorjaar vaak onvoldoende voor de aanmaak van vitamine D. En hoewel zonnebrandcrème belangrijk is om de huid te beschermen, vermindert die ook het vermogen van de huid om vitamine D aan te maken.
Vanwege deze beperkingen kunnen supplementen volgens hem het overwegen waard zijn — maar wel met de nodige voorzichtigheid.
“Gebruik ze niet in overmatige hoeveelheden, want vitamine D kan in hoge doseringen giftig zijn”, waarschuwt hij.
Voor volwassenen geldt dat de dagelijkse inname niet hoger mag zijn dan 4.000 IE (internationale eenheden), de vastgestelde veilige bovengrens.
Een lage vitamine D-spiegel veroorzaakt misschien nu nog geen merkbare problemen, maar het op peil houden van gezonde waarden op middelbare leeftijd kan jaren later een belangrijk verschil maken voor de gezondheid van de hersenen.
Gepubliceerd door The Epoch Times (5 maart 2026): Vitamin D Levels May Shape Your Brain Decades Later


