Daniel Defoe’s avonturenroman “Robinson Crusoe” verscheen in 1719 als een van de eerste Engelse romans. Het was meteen een literair succes. Het verhaal van de vindingrijke schipbreukeling werd al snel populair en vormde een mijlpaal in de Engelse avonturenliteratuur. Maar de fictieve Robinson Crusoe had een minder bekende tegenhanger in het echte leven: Alexander Selkirk, een Schotse zeerover die in het begin van de 18e eeuw vier jaar als schipbreukeling leefde. Hij vormde de inspiratiebron voor het verhaal van Defoe.
Selkirk is natuurlijk niet de enige opmerkelijke echte schipbreukeling. De onderstaande lijst geeft een overzicht van vier spannende waargebeurde verhalen van beroemde overlevenden die een realiteit beleefden die al generaties lang schrijvers en filmmakers fascineert: overleven op een onbewoond eiland.

Alexander Selkirk
Selkirk werd in 1676 in Schotland geboren en vluchtte in 1695 naar zee. Hij werd een zeerover in de Stille Oceaan en richtte zich op Spaanse schepen voor de kust van Zuid-Amerika. In 1703 klom hij op tot zeevaarder. Maar zijn geluk begon op te raken: de kapitein bleek tiranniek en onbekwaam en de expeditie mislukte. De spanningen tussen Selkirk en kapitein Thomas Stradling, die het schip verwaarloosd had, liepen op. Selkirk zei tegen Stradling dat zijn pogingen om het schip te repareren ontoereikend waren en dat het schip zou zinken.
Selkirk weigerde mee te varen. Hij koos ervoor om met wat proviand achtergelaten te worden op Más a Tierra, een eiland zo’n 670 kilometer voor de kust van Chili.
Alleen op het eiland leefde Selkirk zoals zijn fictieve tegenhanger Crusoe in de roman: hij naaide kleding van geitenhuiden, maakte vuur en bouwde schuilplaatsen, temde de wilde katten van het eiland en las zijn bijbel. Hij at de pruimen en kruiden die hij op het eiland vond, samen met vlees van geiten, zeehonden, zeeleeuwen en kreeften.
Hij bracht er vier eenzame jaren door, in stille afwachting van een voorbijvarend schip. Uiteindelijk werd hij opgepikt door een Brits schip onder bevel van Woodes Rogers. Hij hoorde dat zijn voorspelling over zijn vorige schip juist was geweest: het was inderdaad gezonken. Veel mannen waren verdronken en de overigen waren door de Spanjaarden gevangengenomen en in de gevangenis gegooid.
Rogers merkte op dat Selkirks ervaringen bewezen dat “eenzaamheid en terugtrekking uit de wereld niet zo’n ondraaglijke manier van leven is als de meeste mensen denken”. Hij voegde eraan toe dat Selkirks avonturen “ons ook kunnen leren hoezeer een eenvoudige en gematigde levenswijze bijdraagt aan de gezondheid van het lichaam en de kracht van de geest, die we beide gemakkelijk kunnen vernietigen door overdaad en overvloed”.

Marguerite de la Rocque
In 1542 vergezelde de Franse edelvrouw Marguerite de la Rocque haar oom Jean-François de la Rocque de Roberval op zijn reis van Frankrijk naar de Nieuwe Wereld. Onderweg nam ze een jonge man als minnaar. Dat maakte Roberval zo boos dat hij hen beiden samen met De la Rocque’s bediende en een paar voorraden achterliet op het Eiland van de Demonen, vlakbij Newfoundland. Zeelieden hoorden vreemde geluiden in de buurt van dit eiland en volgens de legende werd het duistere eiland bewoond door kwade geesten.
De la Rocque baarde een kind op het eiland, maar het kind overleefde het niet, evenmin als haar minnaar en haar bediende. Nu haar enige metgezellen verdwenen waren, moest de la Rocque in totale eenzaamheid leven en overleven door op wilde dieren te jagen. Een rapport uit 1558 over het avontuur van De la Rocque meldt dat ze “de tijd doorbracht met lezen, contemplatie, gebeden en oraties, met een vrolijke en tevreden geest in een uitgemergeld en halfdood lichaam”.
Uiteindelijk werd ze gered door vissers en keerde ze terug naar Frankrijk, waar ze onderwijzeres werd.

Philip Ashton
Net als het verhaal van Marguerite de la Rocque bevat het avontuur van Philip Ashton dramatische elementen die een Hollywood-scenario waardig zijn.
Ashton was een visser uit Marblehead, Massachusetts, die in 1722 voor de kust van Nova Scotia in de klauwen van piraten terechtkwam. Ashton bleef moreel standvastig en was vastbesloten om de situatie geduldig te doorstaan en geen piraat te worden om zijn huid te redden. Zoals hij zelf optekende:
“Je kan je gemakkelijk voorstellen hoe ik eruitzag en me voelde toen ik, te laat om het te voorkomen, in handen viel van zo’n gekke, brullende, ondeugende bemanning, maar ik hoopte dat ze me niet zouden dwingen om met hen mee te gaan, en ik was vastbesloten om alle ontberingen onder hen geduldig te doorstaan, in plaats van me bij hen als piraat aan te sluiten.”
Ondanks zijn weigering om zich bij de bemanning aan te sluiten – zelfs ondanks doodsbedreigingen – werd Ashton aangeworven door de kapitein, een beruchte piraat genaamd Edward Low. Toen Ashton een poging deed om aan boord te gaan van een boot die naar de kust voer, probeerde de kwartiermeester van het schip hem te doden. Hij hield zijn pistool tegen Ashtons hoofd en schoot – maar het pistool ging op onverklaarbare wijze niet af, hoe vaak de kwartiermeester ook de trekker overhaalde.
Ashton moest enige tijd wachten op zijn volgende kans om te ontsnappen. Die kwam in het voorjaar van 1723, toen de vloot naar het eiland Roatan in de baai van Honduras voer. Ashton vroeg om mee te mogen met een detachement van zes man dat naar de kust zou roeien, en kreeg toestemming. Voor het eerst in negen maanden voelde hij weer vaste grond onder zijn voeten. Eenmaal aan land slenterde hij nonchalant over het strand, raapte schelpen op en probeerde afstand te nemen van zijn collega’s zonder dat zij het merkten. Toen hij ver genoeg weg was, vluchtte hij het bos in.
Alleen op het eiland leerde Ashton het hoofd te bieden aan wilde zwijnen, reuzensalamanders, giftige slangen en spitssnuithaaien, waarvan er één hem aanviel toen hij op een dag in ondiep water aan het zwemmen was.
In november 1723 arriveerde een Engelsman per kano op het eiland, gaf Ashton wat voorraden en vertrok om te gaan jagen, maar kwam nooit meer terug. Dankzij de voorraden kon Ashton comfortabeler overleven door te jagen en te koken, hoewel hij wel ternauwernood aan een piratenaanval ontsnapte. In maart 1725 werd hij uiteindelijk opgepikt door een Brits oorlogsschip en keerde hij naar huis terug, na bijna drie jaar afwezigheid.
Ada Blackjack
Terwijl Philip Ashton de tropische hitte moest doorstaan, kreeg Ada Blackjack te maken met het tegenovergestelde: de bittere kou van een Siberisch eiland.

Ada Blackjack, een Inupiaq-vrouw, werd in 1898 geboren in Spruce Creek, nabij Nome, Alaska. Ze trouwde op 16-jarige leeftijd met Jack Blackjack en vanaf dat moment leek haar leven getekend door tragedie. Maar ondanks alle beproevingen toonde ze een ongelooflijke veerkracht. Ten eerste overleefde slechts één van haar drie kinderen de kindertijd, en hij was niet gezond, maar leed aan chronische tuberculose. Haar man bleek gewelddadig te zijn en verliet haar uiteindelijk na vijf jaar.
Ada was straatarm, dus toen ze hoorde dat ontdekkingsreiziger Vilhjalmur Stefansson een expeditie aan het organiseren was en een kok en naaister nodig had, greep ze deze kans met beide handen aan, in de hoop genoeg geld te verdienen om haar zoon uit het weeshuis te halen waar ze hem noodgedwongen had ondergebracht. Stefansson wilde Wrangel Island, een groot, afgelegen eiland ten noorden van Siberië, claimen, maar uiteindelijk droeg hij de expeditie over aan enkele collega’s. Ada, 23 jaar oud, vertrok met vier mannen die ze niet kende naar de noordelijke leegte. Omwille van haar kind probeerde ze haar angst voor ijsberen en vreemde mannen te onderdrukken.
De kleine expeditie bereikte het eiland met succes en wachtte op de zomer en het breken van het zee-ijs, zodat een bevoorradingsschip kon komen. Maar in de zomer van 1922 kwam er geen schip. De voorraden raakten op toen de winter weer in aantocht was. Een van de mannen, Lorne Knight, werd ziek door scheurbuik en de overige drie besloten op zoek te gaan naar hulp. Ze zijn nooit meer teruggevonden.

Knight werd bedlegerig en Ada nam de leiding over het kamp op zich. Ze leerde zichzelf schieten, zodat ze kon jagen en ijsberen kon afweren. Ze zorgde voor Knight, gaf hem te eten en las hem voor. Ze gaf hem het grootste deel van het voedsel dat ze zelf had gejaagd of gevangen.
Ondanks haar inspanningen stierf Knight op 23 juni 1923, waardoor Ada alleen achterbleef. Ze overleefde maandenlang in haar eentje op het eiland, nadat ze zichzelf de nodige vaardigheden had aangeleerd. Ze jaagde op vogels, verzamelde eieren en ving vossen. Ze naaide kleding (ze maakte zelfs mocassins voor haar zoon) en bouwde een boot om op zeehonden te kunnen jagen. Uiteindelijk zag ze op 20 augustus 1923 een spookachtige verschijning in de mist: er was een schip gekomen. Ze keerde terug naar huis en werd herenigd met haar zoon.
Elk van deze verhalen laat zien hoe veerkrachtig de menselijke ziel kan zijn in tijden van crisis. Selkirk, de la Rocque, Ashton en Blackjack hielden allemaal vast aan hoop in de meest erbarmelijke omstandigheden, toen hoop slechts een fantasierijke droom leek. Maar door hun doorzettingsvermogen en geduld hielden ze vol. De kracht van dit genre van overlevingsverhalen – of ze nu fictief of echt zijn – ligt in het vermogen om te laten zien hoe de menselijke geest zelfs in de meest wanhopige en pijnlijke situaties kan zegevieren.
Gepubliceerd door The Epoch Times (19 februari 2026): Incredible Stories of Real-Life Castaways





