Wat is een goed leven?
Al duizenden jaren wordt deze vraag gesteld en aan antwoorden is er geen gebrek. Toch benaderden twee filosofen in het culturele klimaat van het oude Athene, meer dan 2.000 jaar geleden, deze vraag op twee heel verschillende manieren.
De een stelde dat een goed leven een leven is dat goed aanvoelt. De ander vond dat een goed leven op zichzelf goed is, ongeacht of het ook zo aanvoelt.
De afgelopen decennia zijn we, dankzij de vooruitgang van de wetenschap, het antwoord gaan zoeken in het menselijk lichaam — in het bloed, de verouderende hersenen en de levensduur van een persoon.
Het blijkt dat je lichaam een uitgesproken mening heeft over welk van deze twee levens je zou moeten leiden.
De neiging om plezier na te streven
Rond 300 v.Chr. probeerde de filosoof Epicurus te definiëren wat een goed leven is.
Hij begon met een eenvoudige waarneming. Hij zag hoe pasgeboren dieren, die hij ‘onbedorven wezens’ noemde, instinctief toenadering zochten tot wat prettig aanvoelt en afstand namen van wat pijn doet.
Volgens de epicurische ethiek geeft de natuur ieder levend wezen dan ook dezelfde aangeboren instructie: zoek het genot op en vermijd pijn. Tegenwoordig beschouwen we plezier soms als iets waarover we ons schuldig moeten voelen. Maar voor Epicurus was genot, zoals hij schreef, “het begin en het einde van het gelukkige leven”.
Hij beschouwde genot (‘hedone’) niet als het toegeven aan luxe, zoals uitgebreide maaltijden, wijn of feesten. De hoogste vorm van genot is volgens hem juist de afwezigheid van elke gewaarwording. Het is de toestand waarin niets je lichaam pijn doet en niets je geest kwelt — de afwezigheid van lichamelijke pijn en geestelijke onrust.
Volgens Epicurus bereik je deze staat van rust niet door steeds meer toe te voegen, maar juist door minder nodig te hebben. Hij leerde zijn leerlingen hun verlangens in drie categorieën in te delen:
- Natuurlijk en noodzakelijk, zoals voedsel, onderdak en veiligheid.
- Natuurlijk maar niet noodzakelijk, zoals verfijnd en luxueus eten.
- Leeg en onbegrensd, zoals het verlangen naar roem, macht en eindeloze rijkdom. Epicurus stelde dat deze verlangens geen grenzen kennen. Ze kunnen nooit volledig worden bevredigd en wie ze nastreeft, blijft zijn hele leven rusteloos.
Zo bood hij een hedonistische benadering: een goed leven is gebaseerd op eenvoudige genoegens. Dat is het eerste antwoord op de vraag wat een goed leven is.
Het tegenovergestelde van genot
De Griekse filosoof en veelzijdige geleerde Aristoteles geloofde dat alle mensen uiteindelijk geluk nastreven.
Laten we een klein gedachte-experiment doen. Als iemand je vraagt: “Wat wil je?”, antwoord je misschien: geld. Vervolgens vraagt die persoon: “Waarvoor wil je dat geld?” Je zegt dat je er een vliegticket mee wilt kopen. Dan volgt de vraag: “Waarom?”
Je antwoorden zijn: om te reizen, om je favoriete vakantiebestemming te bezoeken, om plezier te hebben en van het uitzicht te genieten. “Waarom wil je dat allemaal doen?”, vraagt de ander.
Uiteindelijk is het antwoord altijd hetzelfde: om gelukkig te zijn.
We willen geld om wat we ermee kunnen kopen en gezondheid om wat we ermee kunnen doen.
Maar volgens Aristoteles is geluk geen middel om een doel te bereiken. Het is juist het doel zelf — het uiteindelijke doel dat op zichzelf volstaat.
Aristoteles legde ook uit waar deze hoogste vorm van geluk vandaan komt. Kan geluk voortkomen uit genot, eer of rijkdom, vroeg hij zich af.
Zintuiglijk genot kan volgens hem niet de hoogste bron van geluk zijn. Een leven dat volledig in het teken staat van het najagen van plezier, is een leven dat past bij grazend vee. Omdat je steeds een veranderlijk doel nastreeft, kun je geluk nooit bereiken.
Het probleem met eer is dat die afhankelijk is van de mening van anderen. En meningen kunnen van de ene op de andere dag veranderen. Er zijn miljarden mensen op de wereld die allemaal andere maatstaven voor eer hanteren.
Rijkdom komt en gaat en is onvoorspelbaar. Belangrijker nog: rijkdom is een middel om een doel te bereiken. Weet je nog? Waarvoor wil je het geld? Echt geluk moet iets zijn dat we omwille van het geluk zelf nastreven.
Aristoteles kwam tot de conclusie dat hij een stap terug moest doen en een diepere vraag moest stellen: waartoe dient de mens?
Volgens hem moet een mens, om een goed leven te leiden, zijn doel goed vervullen. Net zoals een mes goed is wanneer het goed snijdt, omdat snijden zijn functie is, en een fluitist goed is wanneer hij vaardig speelt.
Wat is het ene dat mensen doen en dat geen enkel ander wezen kan?
Het kan niet simpelweg het leven zelf zijn, want planten leven ook. Het kan evenmin gaan om waarnemen en bewegen, want ook dieren kunnen dat.
Wat onderscheidt de mens dan wel van andere levende wezens? De geest.
Het vermogen om te redeneren, keuzes te maken en doelbewust te handelen — dat wil zeggen: het juiste doen, op de juiste manier en op het juiste moment.
Ons vermogen om te redeneren, keuzes te maken en doelbewust te handelen — dit rationele vermogen van de ziel — is wat ons menselijk maakt. Aristoteles noemde deze vorm van geluk eudaimonia, oftewel het uiteindelijke doel van het leven.
Eudaimonia betekent handelen in overeenstemming met de deugd, stelde hij. De deugd omvat morele eigenschappen zoals moed, eerlijkheid, vrijgevigheid, rechtvaardigheid en zelfbeheersing. Deugden moeten actief in de praktijk worden gebracht — ze mogen niet alleen worden gepredikt of nagestreefd.
Hij concludeerde dat het hoogste geluk voortkomt uit het beoefenen van deugden.
Het belangrijkste is dat deugd een gewoonte is die je door handelen ontwikkelt. Je wordt er niet mee geboren en het is ook geen stemming waarin je toevallig verkeert.
“Door rechtvaardig te handelen, worden we rechtvaardig, en door moedig te handelen, worden we moedig”, schreef Aristoteles.
Mensen zijn sociale wezens. Een goed leven speelt zich volgens Aristoteles af tussen anderen, niet in afzondering. Daarom hebben bijna alle deugden te maken met de manier waarop we andere mensen behandelen.
Genot heeft nog steeds een plaats in Aristoteles’ beeld van het goede leven. Hij geeft het alleen een andere plek. Iemand met een goed karakter leert het juiste te doen en daar plezier aan te beleven. Het genot volgt de deugd dan ook als een schaduw. Het is de beloning voor een goed geleefd leven, niet het doel ervan.
Dit leidt tot het tweede antwoord op de vraag wat een goed leven is: geluk draait niet om je goed voelen, maar om goed zijn waarbij positieve gevoelens voortkomen uit een deugdzaam leven.
Beide antwoorden bieden inzicht in de manier waarop we een goed leven definiëren. Laten we nu de filosofie achter ons laten en kijken naar de hedendaagse wetenschap, die deze vraag vanuit een andere, even intrigerende invalshoek benadert.
Een blik in de cel
In 2013 analyseerden onderzoekers bloedmonsters van mensen die de ene of de andere vorm van geluk nastreefden — hedonistisch of eudaimonisch — en onderzochten ze welke genen actiever waren in hun immuuncellen.
Bij mensen wier geluk voornamelijk voortkwam uit hedonistisch genot, was er meer activiteit in genen die ontstekingen bevorderen en in verband worden gebracht met hartziekten, kanker en veroudering.
Bij mensen wier geluk voortkwam uit zingeving, was het tegenovergestelde zichtbaar. Hun immuuncellen vertoonden minder activiteit in genen die ontstekingen bevorderen en meer activiteit in genen die betrokken zijn bij de antivirale afweer.
In de jaren daarna bleef onderzoek een verband aantonen tussen eudaimonisch welzijn — geluk dat voortkomt uit zingeving en een doel in het leven — en een lagere activiteit van ontstekingsbevorderende genen. De verbanden waren het sterkst wanneer de zingeving voortkwam uit het gevoel verbonden te zijn met andere mensen.
Latere studies hebben echter niet consequent bevestigd dat een hedonistische, op genot gerichte levenshouding slecht is voor onze gezondheid. Bovendien draait epicurisch genot vooral om matigheid en innerlijke rust, en niet om een hedonistische ervaring.
Genot met mate is geen vergif en kan een weg naar een goed leven zijn. Maar genot dat voortkomt uit zingeving lijkt iets te doen wat genot op zichzelf niet kan.
Jouw reden om te leven
Een leven met een doel vermindert ontstekingen. De effecten daarvan zijn het duidelijkst zichtbaar in de hersenen.
Onderzoekers maten het gevoel van zingeving bij mensen aan de hand van eenvoudige uitspraken, zoals: “Ik heb een duidelijke richting in mijn leven” of “Ik heb dingen waar ik naar uitkijk”.
Je doel kan simpelweg zijn dat je redenen hebt om morgen op te staan, of een grootse roeping.
Een onderzoeksteam in Chicago volgde meer dan 900 ouderen gedurende maximaal zeven jaar om te onderzoeken of een gevoel van zingeving het latere ontstaan van de ziekte van Alzheimer kon voorspellen.
Mensen met het sterkste gevoel van zingeving hadden ongeveer 2,5 keer zoveel kans om vrij van de ziekte te blijven als mensen met het zwakste gevoel van zingeving.
Een vergelijkbaar patroon komt naar voren in onderzoek naar levensduur en hart- en vaatgezondheid.
Een van de opvallendste bevindingen komt voort uit het Japanse begrip ‘ikigai’, dat ‘een reden om te leven’ betekent en sterk overeenkomt met Aristoteles’ visie op een leven met een doel.
Onderzoekers stelden meer dan 43.000 Japanse volwassenen een eenvoudige vraag: “Hebt u een ikigai in uw leven?”
Zeven jaar later bleek dat de mensen die aangaven geen ikigai te hebben, in die zeven jaar ongeveer 50 procent meer kans hadden om te overlijden.
De juiste intentie achter de deugd
Om werkelijk voordeel te halen uit een leven met een doel, moet het worden gedreven door de juiste intentie.
Onderzoekers volgden oudere volwassenen die vrijwilligerswerk deden en vroegen hun waarom ze dat deden. Sommigen zeiden dat ze anderen wilden helpen. Anderen gaven eerlijk toe dat ze het vooral voor zichzelf deden: om zich beter te voelen, mensen te ontmoeten of gewoon het huis uit te komen.
Vier jaar later bleek dat degenen die vrijwilligerswerk deden om anderen te helpen, minder vaak waren overleden. Degenen die het voornamelijk voor zichzelf deden, hadden helemaal geen gezondheidsvoordeel.
Het voordeel kwam niet voort uit de activiteit zelf, maar uit de intentie erachter. Zingeving helpt je het meest wanneer die naar buiten is gericht, op iets buiten jezelf — precies zoals Aristoteles stelde.
Deugden, de dingen die een leven de moeite waard maken, hebben bijna allemaal te maken met hoe je je opstelt tegenover anderen. Wanneer je oprecht goed doet, omwille van het goede zelf, vindt het goede uiteindelijk zijn weg terug naar jou. Doe je het om jezelf te helpen, dan vervaagt het effect.
Als je tussen deze twee Griekse filosofen in staat, waar sta jij dan in dit alles?
Misschien is een evenwichtig antwoord: geniet van de echte genoegens van het leven, zoals Epicurus leerde, en streef naar een leven vol zingeving en deugd, zoals Aristoteles adviseerde.
De standpunten in dit artikel zijn de meningen van de auteur en komen niet noodzakelijk overeen met die van The Epoch Times.
Gepubliceerd door The Epoch Times (18 september 2026): What Makes a Good Life? Your Cells Have the Answer.





