Tuesday, 06 Dec 2022
Een standbeeld van de oude Griekse historicus Thucydides buiten het Oostenrijkse parlement in Wenen. (sianstock / Shutterstock)

De ideeën die de grondwet vormden: Deel 2

Bestudeer de achterkant van een dollarbiljet zorgvuldig en je vindt drie opschriften in het Latijn. De rechtse is “E pluribus unum.” De twee linkse zijn bewerkingen van het werk van de Romeinse dichter Publius Vergilius Maro, die wij “Vergilius” noemen. Meer over hem in een volgende aflevering.

Dit is het tweede deel in de reeks over de ideeën die de grondwet vormden. Het richt zich op de opvoeding van de grondleggers. U kunt het eerste deel hier lezen.

Het onderwijs in de achttiende eeuw omvatte religie, muziek en Engels. Meisjes leerden ook huishoudkunde, Frans en soms Italiaans. Jongens studeerden recente Europese geschiedenis.

Maar het hart van het curriculum, voor jongens en enkele meisjes, bestond uit de Grieks-Romeinse klassieke werken. Deze Grieks-Romeinse klassieke werken zijn een grote hoeveelheid geschriften die in het Grieks en Latijn zijn geschreven tussen de tijd van de dichters Homerus en Hesiodus (ongeveer 800 v.Chr.) tot de ineenstorting van het West-Romeinse Rijk in 476. De regels van Vergilius die op het dollarbiljet staan werden rond 39 v.Chr. gepubliceerd.

Deze klassieke werken bieden lessen in literatuur, poëzie, logica, wiskunde, wetenschap, politiek, geschiedenis, retoriek en moraal.

Bijna alle Grieks-Romeinse klassiekers zijn in het Engels vertaald. Maar veel van hun kracht gaat verloren in de vertaling. Voordat ik op 32-jarige leeftijd Latijn ging studeren, had ik oraties van de Romeinse staatsman Cicero in het Engels gelezen, en ik vroeg me af waarom er zoveel ophef over was. Maar de eerste keer dat ik Cicero’s proza in het Latijn las, kreeg ik tranen in mijn ogen.

Daarom leerden 18e-eeuwse leraren hun leerlingen wijselijk om Griekse en Romeinse auteurs in hun oorspronkelijke taal te lezen.

Grammar school

Buiten Massachusetts waren er weinig openbare scholen in het 18e-eeuwse Amerika. Kinderen jonger dan 8 jaar gingen vaak naar particuliere instellingen die door vrouwen werden beheerd en bekend stonden als “damesscholen”. Op 8-jarige leeftijd gingen jongens naar (meestal) particuliere ‘grammar scholen’.

In tegenstelling tot degenen die de moderne openbare onderwijsleerplannen voorschrijven, begreep de stichtende generatie in Amerika dat het voor taalonderwijs het beste is te beginnen als de leerlingen nog heel jong zijn. Hoewel volwassenen vaak het best leren door middel van concepten en door verbanden te leggen, moeten zij maar al te vaak onderdoen voor de jongeren, die alles efficiënter kunnen opnemen door het memoriseren van de leerstof.

Daarom begon het onderwijs in Latijn op jonge leeftijd, zodra een kind zich inschreef in een school voor voortgezet onderwijs. De lessen begonnen gewoonlijk om 8 uur ‘s morgens, gingen door tot 11 uur ‘s morgens, werden hervat om 13 uur ‘s middags en gingen door tot het donker was.

Als alternatief voor een ‘grammar school’ huurden welgestelde ouders soms privé-leraren in. Andere kinderen kregen les van hun ouders. Patrick Henry bijvoorbeeld leerde Latijn van zijn vader. Zijn collega uit Virginia, George Wythe, leerde het van zijn moeder. (Wythe was Amerika’s eerste professor in de rechten, een van de auteurs van de grondwet en comité-voorzitter op de ratificatieconventie van Virginia).

De meeste hedendaagse leraren Latijn maken de ongelukkige fout om het onderwijs in Latijn te beginnen met grammatica in plaats van met spreken en luisteren. De meesten maken de bijkomende fout om de leerlingen enkel te leren lezen, en niet om de taal te spreken of te schrijven. De schoolmeesters uit de begintijd maakten de eerste fout, maar niet de tweede: Van diegenen die afstudeerden aan een ‘grammar school’ werd verwacht dat ze Latijn konden spreken, lezen en schrijven.

Zodra de basis was gelegd, lazen de studenten werken van Vergilius en Cicero, de historici Sallust, Livy en Tacitus, en de dichters Vergilius, Ovidius, Horatius en Juvenal. Er leek toen minder belangstelling te zijn geweest voor de boeken van Julius Caesar, terwijl die tegenwoordig vaak worden gehanteerd in de Latijnse klaslokalen.

Er werd niet naar gestreefd om Grieks even grondig te onderwijzen als Latijn. Jongens lazen het Nieuwe Testament in het Grieks, wat relatief gemakkelijk is. Ze bestudeerden ook passages van Homerus, de filosofen Plato en Aristoteles, de geschiedschrijvers Thucydides en Polybius, de biograaf en moralist Plutarch, en een schrijver die qua onderwerp moeilijk vast te pinnen is: Xenophon van Athene.

Hoger onderwijs

Relatief weinig jongens gingen naar de universiteit, hoewel een onevenredig aantal van de auteurs van de grondwet dat wel hebben gedaan. Om toegelaten te worden tot de universiteit, moest de student slagen voor een toelatingsproef. Meestal moesten passages van Latijnse auteurs in het Engels worden vertaald en delen van het Griekse Nieuwe Testament in het Latijn.

Een groot deel van het leerprogramma bestond uit het lezen van de Griekse en Latijnse klassieke werken.

Liefde voor het leven

De pedagogie van een ‘grammar school’ was vaak grof en soms wreed. (Stokslagen waren gebruikelijk.) Je zou kunnen denken dat dit ervoor zorgde dat leerlingen de klassieke talen gingen haten. Maar dat was niet het geval.

De Griekse en Romeinse literatuur is bewaard gebleven om een goede reden: het is werkelijk schitterend materiaal. Ondanks de tekortkomingen van hun leraren, bleven de meesten van de ‘Fouding Fathers’ verknocht aan deze klassieke literatuur en de lessen die ze eruit konden leren.

Thomas Jefferson is een prominent voorbeeld. Hij las meer Griekse en Latijnse klassiekers dan andere boeken, en Grieks was zijn favoriete taal. Maar Jefferson is voor ons niet echt relevant, want hij was in Frankrijk toen de Conventie voor de Grondwet bijeenkwam en hij had weinig invloed op de Grondwet zelf.

Relevanter voor de Grondwet is een rapport uit 1783 van een commissie aan het Confederatiecongres, waarin wordt aanbevolen dat het Congres kopieën van cruciale boeken zou aanschaffen. Op de lijst van de commissie stonden werken van Plato, Aristoteles en Plutarch, verschillende delen uit de Griekse en Romeinse geschiedenis, en wat werd omschreven als het “beste Latijnse woordenboek”. Het rapport is relevant voor de Grondwet omdat de auteurs, James Madison uit Virginia, Thomas Mifflin uit Pennsylvania en Hugh Williamson uit North Carolina, allemaal toekomstige ‘Fouding Fathers’ waren. Williamson was overigens zelf leraar Latijn geweest.

Wilson, Dickinson, Mason, Henry en Adams

Historici noemen vaak James Wilson, naast James Madison, de grondlegger met weliswaar de meeste invloed op de tekst van de grondwet. Wilson is geboren en getogen in Schotland en studeerde aan wat nu de Universiteit van St. Andrews is.

In 2005 nodigde de hoofdbibliothecaris van St. Andrews mij uit om Wilsons academische dossiers van 1757-1758 te bestuderen, wat ik uiteindelijk in 2009 heb gedaan. Het dossier bevat een lijst van boeken die Wilson leende uit de schappen om zijn eigen leeshonger te stillen. Ik ontdekte dat zijn meest gevraagde onderwerp (veruit!) de geschiedenis van Rome was. Wilson leende ook een boek met gedichten van Horatius.

Na zijn immigratie naar Amerika gaf Wilson een tijdje Latijn en bleef hij verknocht aan de klassieke talen: zijn verzamelde werken bevatten tientallen verwijzingen naar Griekse en Romeinse auteurs.

John Dickinson uit Delaware is waarschijnlijk de meest onderschatte ‘Fouding Father’. Zoals ik in een van mijn onderzoeksartikelen (pdf) heb gedocumenteerd, waren zijn bijdragen aan de grondwet echter aanzienlijk. Dickinson verzamelde zijn hele leven lang boeken van Griekse en Latijnse schrijvers en citeerde ze overvloedig. Nadat de grondwettelijke conventie was afgelopen, schreef hij een invloedrijke reeks verhandelingen waarin hij aandrong op ratificatie. Hij gebruikte de schuilnaam “Fabius” naar een Romeinse generaal die een prominente rol speelde in de werken van Livy en Plutarch. In een brief die Dickinson op latere leeftijd schreef, vertelde hij dat hij de Romeinse historicus Tacitus, een van de moeilijkere Latijnse schrijvers, aan het herlezen was.

George Mason uit Virginia, een grondlegger die de Verklaring van Rechten voor de staat Virginia opstelde, droeg bij aan de uiteindelijke Grondwet door erop aan te dringen dat deze een ‘Bill of Rights’ zou bevatten. Na de conventie bracht Mason zijn pensioenjaren door met het herlezen van de klassieke werken. Patrick Henry, een andere prominente voorstander van de ‘Bill of Rights’, herlas jaarlijks een Engelse vertaling van Livy’s geschiedenis.

Hoewel John Adams tijdens de conventie in Europa was, had hij op twee manieren invloed op de beraadslagingen. Ten eerste was hij de belangrijkste auteur van de grondwet van Massachusetts uit 1780, die samen met de grondwet van New York als model diende voor de afgevaardigden. Ten tweede schreef Adams een encyclopedie over republikeinse regeringen, waarvan het eerste deel vlak voor de conventie werd gepubliceerd. Dat deel baseerde zich onder meer op Cicero, Plato, Polybius, Livy en Plutarch. De afgevaardigden raadpleegden dit boek regelmatig.

Sommige grondleggers hadden geen klassieke opleiding genoten. Onder hen waren Alexander Hamilton en George Washington. Beiden ijverden er echter voor dat de jongere leden van hun eigen families niet op dezelfde manier zouden worden achtergesteld.

Conclusie

De Grieks-Romeinse klassieke werken hadden een enorme invloed op degenen die de Grondwet opstelden en ratificeerden. In toekomstige afleveringen van deze reeks zullen we zien hoe de grondleggers de lessen van de klassieke literatuur in het document verweefden.

Opvattingen in dit artikel zijn de meningen van de auteur en komen niet noodzakelijkerwijs overeen met die van The Epoch Times.

Het derde deel uit deze reeks zal verschijnen op 21 november.

Gepubliceerd door The Epoch Times (3 november 2022): The Ideas That Formed the Constitution, Part 2: The Founders’ Education

Hoe u ons kunt helpen om u op de hoogte te blijven houden

Epoch Times is een onafhankelijke nieuwsorganisatie die niet beïnvloed wordt door een regering, bedrijf of politieke partij. Vanaf de oprichting is Epoch Times geconfronteerd met pogingen om de waarheid te onderdrukken – vooral door de Chinese Communistische Partij. Maar we zullen niet buigen. De Nederlandstalige editie van Epoch Times biedt op dit moment geen betalende abonnementen aan en aanvaardt op dit moment geen donaties. U kan echter wel bijdragen aan de verdere groei van onze publicatie door onze artikelen te liken en te her-posten op sociale media en door uw familie, vrienden en collega’s over Epoch Times te vertellen. Deze dingen zijn echt waardevol voor ons.