Aan de vooravond van grootschalige onrust en religieuze oorlogen besloot de Nederlandse priester en theoloog Desiderius Erasmus (circa 1466–1536) monniken, theologen en gewone mensen te hekelen in een boek dat hem tot een van de meest gelezen auteurs van zijn tijd maakte.
Maar Erasmus’ doel was niet om te spotten. Hij wilde bescheidenheid promoten, het gebrek daaraan was volgens hem de oorzaak van de rampzalige conflicten die zijn wereld teisterden. Met woorden die vandaag de dag nog steeds relevant zijn, riep hij in “Lof der Zotheid” zijn lezers op om dogma’s los te laten en nederigheid te omarmen als leidraad voor het ontwikkelen van wijsheid.
Eenvoudige beginjaren
Erasmus werd buiten het huwelijk geboren in de Nederlandse stad Rotterdam en had een eenvoudige jeugd. Zijn familie vond leren belangrijk en zorgde ervoor dat hij het beste onderwijs kreeg dat beschikbaar was voor mensen van hun sociale klasse.
Maar zijn beide ouders stierven tijdens een uitbraak van de builenpest in 1483. Tegen die tijd was Erasmus begonnen met het studeren van Latijn en Grieks, wat zijn intellectuele leven en zijn bijdragen zou bepalen. In 1487 trad hij, gedreven door armoede en ziekte, toe tot het noviciaat om priester te worden. Vijf jaar later werd hij gewijd.

Het intellectuele leven
Erasmus bracht het grootste deel van zijn volwassen leven door met het bestuderen van de Bijbel en oude Griekse en Romeinse teksten. Zijn wetenschappelijk genie kwam het best tot uiting in zijn baanbrekende vertalingen van het Griekse Nieuwe Testament. De ‘Erasmiaanse’ uitspraak van het Latijn en Grieks wordt nog steeds gebruikt in vrijwel alle klassieke talenafdelingen in het Westen.
Toen hij in 1511 ‘Lof der Zotheid’ drukte, was het pausdom verstrikt in de politiek, waren gepolariseerde universiteiten verwikkeld in fanatieke scholastische disputen en verspreidden zich de eerste geruchten over wat al snel de protestantse Reformatie zou worden over heel Europa.
Erasmus kreeg scherpe kritiek van medekatholieken omdat hij niet wilde deelnemen aan de intellectuele discussies die de theologen van zijn tijd bezighielden. Het probleem van de vrije wil was bijzonder omstreden. Sommigen, zoals de religieuze hervormer Maarten Luther (1483-1546), stelden dat alles voorbestemd was, terwijl anderen benadrukten dat de menselijke vrijheid meer was dan een leeg begrip.
Tegen het einde van zijn leven kwam Erasmus tot de conclusie dat dit eeuwige probleem het menselijk begrip te boven ging. Hij stelde dat een verstandig en loyaal persoon zich onthoudt van het aanwakkeren van discussies over kwesties die zich niet lenen voor definitief begrip. Zijn bescheiden zelfbewustzijn maakte hem tot een van de weinige tolerante geesten van zijn tijd.
Na zijn dood in 1536 raakte West-Europa verwikkeld in een reeks bloedige godsdienstoorlogen die de culturele superioriteit van West-Europa in gevaar brachten en ontelbare verliezen veroorzaakten. De tijd volgde het voorbeeld van Erasmus niet. Maar hij liet een boek na, vaak geprezen als zijn beste, dat zich sterk verzette tegen het dogmatisme dat de wereld in gevaar bracht.
Lof der Zotheid
Lof der zotheid is geschreven in het Latijn en leest als een religieuze preek, behalve dat de spreker een personificatie van de Zotheid is. Na een opschepperige inleiding introduceert de Zotheid ‘het leven der menschen’, waarover ze zegt dat ‘opdat het ons klaar worde, niet alleen hoeveel zij mij verschuldigd zijn, maar ook hoe hoog zij mij schatten, de hoogsten even goed als de laagsten’. Zo begint haar uitputtende kritiek op vrijwel alle lagen van de samenleving, van de laagste tot de hoogste, die geen van alle immuun lijken te zijn voor de invloed van de Zotheid.

De zotheid van gewone mensen
Het eerste doelwit van Zotheid zijn ‘gewone mensen’, die ‘vertoonen immers de Zotheid overal in zulk een rijkdom van vormen en verzinnen dagelijks zooveel nieuwe’. Haar lijst omvat mensen die trouwen omwille van geld, hun bescheiden salaris verspillen aan eten en drinken, luiheid verkiezen boven werk, zich meer met andermans zaken bemoeien dan met die van zichzelf, roekeloos gokken, oorlog en geweld verkiezen boven vrede en rust, en bedriegen, allemaal voor ‘gouden ringen aan hun vingers’.
Ze beweert dat dit gedrag haar eigen gedrag is, omdat het welzijn ondermijnt in naam van geld, plezier of macht. Dit leidt mensen af van de rede. Mensen, zegt ze, geven liever de goede dingen die ze hebben op dan hun impulsieve, onbezonnen en vaak rampzalige streven naar vluchtige verlangens.
De zotheid van geestelijken
De volgende in het rijtje van Zotheid zijn mensen met wie Erasmus het grootste deel van zijn geestelijke leven doorbracht: “…die zich gewoonlijk religieuzen en monniken noemen: beide benamingen zijn geheel onjuist, omdat niet alleen een aanzienlijk gedeelte van hen verre van religieus is…”
Ze steekt eerst de draak met de obsessieve aandacht die geestelijken besteden aan schijnbaar onbelangrijke zaken: “Dit geldt van het aantal knoopen van hun sandalen, van de kleur hunner gordels, van het verschil in kleeding en de stof, waaruit die vervaardigd is, van de breedte van hun gordel in stroohalmen gemeten, van den vorm en omvang, die hun kap moet bezitten, van de grootte hunner tonsuur in duimen uitgedrukt.”
Op ernstiger toon verhaalt Zotheid aan lezers dat geestelijken, ondanks hun verklaringen over universele liefde in Gods naam, “elkander onderling minachten; en dat die belijders der apostolische liefde hemel en aarde in beweging brengen om een kleed met een gordel, buiten model of eenigszins te donker van kleur”. Deze rigide, vijandige neigingen maken hen tot hypocrieten die beweren volgens hun christelijke geloof te leven, terwijl ze in werkelijkheid net zo dwaas bezig zijn met hun ego als ieder ander.
De zotheid van intellectuelen
De invloed van Erasmus’ achtergrond komt het duidelijkst naar voren in wat Zotheid zegt over intellectuelen, met name theologen. Volgens Erasmus besteedden academici te veel tijd aan het schrijven van ingewikkelde commentaren op obscure teksten, het debatteren over triviale kwesties en het vasthouden aan hun gelijk in plaats van hun gezond verstand te gebruiken. Hij zag deze neigingen als de hoofdoorzaak van het ijdele dogma dat uiteindelijk leidde tot bloedige conflicten zoals de Riddersopstand, de Franse godsdienstoorlogen en de Tachtigjarige Oorlog.
Erasmus was vooral ontevreden over Luther, wiens geschriften agressief waren ten opzichte van zijn vermeende vijanden, waaronder Erasmus. Maar Luther was niet de enige zelfverzekerde publieke intellectueel die de auteur van de redevoering van de Zotheid irriteerde. Erasmus protesteerde ook tegen medekatholieken die hun tegenstanders met harde replieken de mond wilden snoeren. Hij vond dat hun gedrag in strijd was met de christelijke oproep tot barmhartige vergeving, die hij zeer hoog in het vaandel had staan.
Wetenschappers, filosofen en theologen, zegt Zotheid, “maar nog veel gelukkiger zijn zij door een ongehoord hoogen dunk van hun geleerdheid. Alhoewel zij den knapen niets dan dolheden instampen, zien zij toch, God betere het, uit de hoogte neer op iederen Palaemon en op iederen Donatus…”. Wetenschappers verbeelden zich “ontelbare werelden”, verkondigen vol vertrouwen dat ze de oorzaken van “onverklaarbare zaken” hebben gevonden en meten onmeetbare dingen, “zonder de minste twijfel”. Filosofen zoeken roem in triviale zaken. Als ze “telkens als er een van hen den naam van Anchises’ moeder, of een niet algemeen bekend woord op een half vergaan stuk perkament aantreft, of als iemand een oud stuk steen, waarop zich eenige verminkte letters bevinden, ergens opgraaft. Goede hemel, dan komt er geen eind aan hun uitgelatenheid, triomfkreten en lofzangen; het is alsof zij Afrika ten onder gebracht of eenige steden als Babylon ingenomen hebben.”
Theologen waren misschien wel de ergste van deze experts in trivialiteiten, omdat zij zich bezighielden met heilige onderwerpen die Erasmus belangrijker vond dan alle andere. Theologen waren niet alleen trots op hun exacte kennis van mysteries als de hel, Gods wil en het hiernamaals, maar hielden zich ook bezig met intellectuele spelletjes die grensden aan godslastering. Een beroemd spel was ‘…Kan God de gestalte aannemen van een vrouw, een duivel, een ezel, een pompoen of een keisteen?’. Zotheid beschrijft hen als erudiet maar niet in staat om hoogmoed te weerstaan, als rationeel maar verliefd op frivoliteiten.
Erasmus, die inmiddels een van de grootste lezerspublieken in Europa had, erkende dat hij zich vaak schuldig maakte aan dezelfde intellectuele arrogantie. Hij bevond zich vaak onder degenen die zinloos bezig waren in vochtige bibliotheken. Om deze reden hekelt Zotheid ook hem die “…onder welk troepje mijn Erasmus, zooal niet de eerste, dan toch zeker de tweede plaats inneemt,…”.

Een bescheiden oproep tot actie
De retorische kracht van Erasmus’ tekst ligt in de onpartijdigheid waarmee Zotheid haar doelwitten hekelt. Zoals Nobelprijswinnaar John Maxwell Coetzee opmerkte, plaatste Erasmus de kritiek van Zotheid in “een positie die niet alleen onpartijdig was tussen rivalen, maar ook, door zelfdefinitie, helemaal buiten het toneel van rivaliteit stond”. Theologen die het werk lazen, zouden hebben gespot met haar beschrijvingen van het gewone volk en zelfingenomen monniken. Beide groepen zouden hebben gespot met snobistische intellectuelen, enzovoort.
Als niemand immuun is voor Zotheid, leek Erasmus te suggereren, heeft niemand het morele recht om meedogenloze aanvallen te lanceren op mensen die zij als schuldig beschouwen. Dat betekent niet dat niemand op fouten mag wijzen. Een wereld zonder morele leraren zou dezelfde barbaarse wereld zijn die Erasmus wilde vermijden. Maar elke les moet gepaard gaan met de nederigheid om te herkennen dat iedereen wel eens tekortschiet.
Ondanks zijn bijtende stijl heeft Erasmus nooit gesuggereerd om de dingen die hij bekritiseerde op te geven. Via Zotheid bespotte hij intellectuele pretenties. Door zijn geschoolde publiek een heldere spiegel voor te houden, wilde hij hen laten zien dat echt leren elders te vinden was. Hij bespotte verkeerd gebruik van intelligentie en misvattingen over religiositeit. Maar hij ondermijnde nooit het geloof. In feite staat de tekst vol met bijbelverzen, alsof hij de lezers eraan wil herinneren hoe ze zich eigenlijk zouden moeten gedragen.
De belangrijkste stelling van Zotheid is dat iedereen zich schuldig maakt aan misbruik en excessen, niet dat iedereen moet stoppen met het corrigeren van zijn fouten. Dogmatisme gedijt wanneer mensen hun eigen fouten en beperkingen vergeten. Dit kan leiden tot woede, geweld en zelfs oorlog. Wijsheid begint daarentegen met de eerlijkheid om onvolkomenheden in jezelf te erkennen en het gezonde verstand om die van anderen nederig te erkennen.
Gepubliceerd door The Epoch Times (1 december 2025): A Priest’s Praise of Folly





