Het genie van Bach is tegelijk zijn mysterie. Johann Sebastian Bach liet geen persoonlijke brieven na die inzicht geven in zijn privéleven, en ook geen dagboek waarin hij zijn compositieproces beschreef.
Toch blijven historici zoeken naar verborgen betekenissen in zijn werken. Soms zouden die numeriek zijn, soms theologisch. Maar weerspiegelen deze ontdekkingen werkelijk een verborgen boodschap, of zijn het vooral fantasierijke interpretaties van theoretici?

Een verjaardagslied voor de hertog
Als jonge man werkte Bach als hoforganist bij hertog Wilhelm Ernst van Saksen-Weimar. Voor diens 52e verjaardag in 1713 componeerde hij de aria BWV 1127. In dit stuk keert een basisthema van 52 noten terug, als eerbetoon aan zijn beschermheer.
Daarnaast verwerkte Bach nog een subtiele verwijzing: de eerste letters van het derde woord in de tweede regel van elke strofe vormen samen de naam van de hertog.
Opmerkelijk genoeg bleef deze inventieve compositie tot 2005 onbekend. Toen werd het werk ontdekt in een doos met documenten uit de Anna Amalia-bibliotheek in Weimar. Kort nadat de doos voor restauratie naar Leipzig was verzonden, verwoestte een brand een groot deel van de bibliotheek.
Tien geboden, tien melodieën
In het openingskoor van Cantate 77 verwerkt Bach het koraal van Maarten Luther, “Dies sind die heil’gen zehn Gebot” (“Dit zijn de heilige tien geboden”), op een manier die vaak als theologisch symbolisch wordt gezien.
De trompet klinkt hier tien keer en speelt telkens een andere muzikale frase uit de hymne, die elk een van de tien geboden zou vertegenwoordigen. De titel van het koor, “Du sollt Gott, deinen Herren, lieben”, is ontleend aan het Evangelie van Lucas, evenals de gezongen tekst.

De Heilige Drievuldigheid
Ook in de Prelude en Fuga in Es majeur (BWV 552) uit de bundel Clavier-Ubung III zien velen symboliek. Volgens organist en Nobelprijswinnaar Albert Schweitzer staat de driedelige fuga symbool voor de Drie-eenheid.
De eerste fuga is volgens hem kalm en majestueus, met een gelijkmatige beweging die de Vader verbeeldt. In de tweede fuga is het thema verhuld en slechts af en toe in zijn oorspronkelijke vorm herkenbaar — een mogelijke verwijzing naar de Zoon die menselijke gestalte aanneemt. In de derde fuga wordt het thema getransformeerd door middel van snel contrapunt. Naarmate het werk vordert, overlappen de thema’s elkaar, wat de eenheid van Vader en Zoon in de Heilige Geest zou uitdrukken.

Een symbool van het kruis
De bundel Das Wohltemperierte Klavier bevat onder meer de vijfstemmige Fuga in cis mineur (BWV 849). Daarin bewegen twee melodielijnen zich in tegengestelde richting om vervolgens samen een kruisvorm te creëren.
De visuele contour van dit ‘kruismotief’ op de notenbalk gaat gepaard met dissonantie, wat een gevoel van spanning of angst oproept. Het motief verschijnt ook in de Matthäus-Passion, onder meer in het koor “Let him be crucified”.
Een naam met mystieke betekenis
De opvallendste numerieke verwijzing betreft Bachs eigen naam. Wanneer de letters B A C H worden omgezet in cijfers volgens hun plaats in het alfabet (A=1, B=2, C=3, H=8), is de som 14. Met toevoeging van zijn initialen J.S. komt de numerieke waarde uit op 41.
Deze getallen keren als cryptogram terug in zijn muziek. In werken als het Brandenburgse Concerto nr. 2 (BWV 1047) en de Sinfonia in F mineur (BWV 795) verschijnt zijn naam als muzikale handtekening, waarbij Bes staat voor ‘B’ en B natuurlijk voor ‘H’.
In 1726 begon Bach met de publicatie van de zes partita’s, het eerste deel van zijn Clavier-Übung. Hij was toen 41 jaar oud — en het werk telt 41 delen.

Hoewel niemand ontkent dat deze getallen voor Bach betekenis hadden, blijft onduidelijk wat die precies inhield. Sommigen zien ze als speelse puzzels die hij in zijn composities verwerkte.
De historicus Hans Heinrich Eggebrecht kende er echter een kosmische betekenis aan toe. Hij wees op het terugkerende B-A-C-H-thema in het slotdeel van Die Kunst der Fuge en op het onvoltooide karakter van dit werk, dat Bach componeerde toen hij op sterven lag en dat pas na zijn dood werd gepubliceerd.
Volgens Eggebrecht plaatste Bach hier, in het aangezicht van de dood, zijn ‘ik’ in het centrum van een universele ontwikkeling. Ook zag hij in de toonsoort d-klein (D mineur) — die hij met Deo (God) verbond — een verwijzing naar een streven naar vereniging met de Schepper.
De sceptici
Veel academici staan echter sceptisch tegenover diepgaande symbolische interpretaties, behalve in gevallen met een duidelijk muzikaal doel, zoals de verjaardagsaria voor de hertog.
Historicus Peter Williams schreef in zijn biografie over Bach dat het altijd onzeker blijft of zulke voorbeelden werkelijk betekenisvol zijn en wat die betekenis dan zou zijn. Zulke interpretaties zijn volgens hem “van nature persoonlijk, zelfs fantasierijk” en missen verifieerbare grenzen.
Williams beschouwt het kruismotief als een toevallige, veelvoorkomende notencombinatie. Ook de verwerking van de tien geboden in cantate 77 ziet hij als een eenvoudige verwijzing, niet als subtiele theologische symboliek.

Het ontbreken van bewijs is echter geen bewijs van het tegendeel. Misschien is de meest onwaarschijnlijke veronderstelling wel dat Bach — een diep religieus mens met een voorliefde voor getallen en puzzels — zijn muziek níét bewust symbolisch zou hebben opgebouwd.
Wat de precieze betekenis ook was, één ding lijkt duidelijk: Bach wilde God loven met zijn muziek en gaf zijn composities een diep doordachte structuur om dat doel te bereiken. Hij verborg niet alleen betekenis in zijn muziek — hij gaf muziek betekenis.
Gepubliceerd door The Epoch Times (17 februari 2026): Bach’s Musical Symbolism





