De dreigementen van president Donald Trump om de Verenigde Staten uit de NAVO terug te trekken, evenals de aanhoudende spanningen rond het conflict met Iran, hebben de roep onder Europese leiders naar militaire onafhankelijkheid van de Verenigde Staten nieuw leven ingeblazen.
Analisten blijven echter sceptisch over de voorgestelde alternatieven en wijzen op problemen rond de timing en de interne verhoudingen tussen Europese staten.
Een van de voorstellen is een permanent leger van de Europese Unie, een idee dat de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken eerder deze maand naar voren schoof. Volgens verschillende media verklaarde de Spaanse buitenlandminister José Manuel Albares dat de EU niet hoeft af te wachten wat de Verenigde Staten zullen doen.
Zijn opmerkingen volgden op Trumps besluit om troepen uit Duitsland terug te trekken en zijn kritiek op landen zoals Spanje, dat weigert de Verenigde Staten tijdens de oorlog met Iran gebruik te laten maken van zijn bases en luchtruim.
Trump heeft gesteld dat Amerikaanse operaties tegen het Iraanse regime bijdragen aan de veiligheid van andere landen. Hij bekritiseerde ook de NAVO omdat die tijdens het conflict geen actieve steun verleende en verklaarde eind maart dat de Verenigde Staten daarom niet per se “voor de NAVO aanwezig hoeven te zijn”.
EU-commissaris voor Defensie Andrius Kubilius zei op 10 februari in het Europees Parlement: “Europese verantwoordelijkheid voor defensie vereist een institutioneel kader voor onze samenwerking. Een Europese defensie-unie.”
De Duitse bondskanselier Friedrich Merz, de Franse president Emmanuel Macron en voorzitter van de Europese Commissie Ursula von der Leyen hebben allemaal verklaard dat de EU zelf verantwoordelijkheid moet nemen voor haar veiligheid.
Toch waarschuwde EU-buitenlandchef Kaja Kallas begin februari dat de oprichting van een afzonderlijk EU-leger naast de NAVO “uiterst gevaarlijk” zou zijn. Volgens haar hebben voorstanders van het idee “niet echt nagedacht over de praktische gevolgen”.

Een decennialang debat krijgt nieuw leven
Het idee van een Europees leger gaat terug tot de regering van Dwight Eisenhower, die Europese leiders ooit wist te overtuigen om ermee in te stemmen. Het Franse parlement blokkeerde het project echter in 1954 en daarna zorgden zowel de Amerikaanse tegenstand als de inzet voor de NAVO ervoor dat het plan decennialang van tafel bleef.
Sindsdien hebben landen als Frankrijk en Duitsland gepleit voor meer strategische autonomie voor Europa. Zowel Macron als voormalig Duits bondskanselier Angela Merkel steunden het idee van een Europees leger tijdens Trumps eerste ambtstermijn.
Max Bergmann, directeur van het Europa-, Rusland- en Euraziëprogramma van het Center for Strategic and International Studies, stelde in januari dat de discussie tijdens Trumps tweede termijn opnieuw gevoerd moet worden.
In een analyse voor het Center for Strategic and International Studies erkende Bergmann dat er twijfels bestaan over de praktische haalbaarheid van een EU-leger. Volgens hem is het echter evenmin realistisch dat Europa blijft vertrouwen op de Verenigde Staten, die volgens hem niet langer geïnteresseerd zijn in de rol van veiligheidswaarborg voor het continent.

Hij pleitte voor een permanente gezamenlijke strijdmacht, vergelijkbaar met de reactiemacht waarover voormalig Brits premier Tony Blair en voormalig Frans president Jacques Chirac in 1998 overeenstemming bereikten.
Bergmann pleitte voor een uniforme commandostructuur die boven de nationale legers zou staan.
“Bezorgdheid over overlap met de NAVO en Amerikaanse tegenstand hebben de oprichting ervan verhinderd”, zei hij. “Maar nu er mogelijk een duidelijke scheiding ontstaat tussen de Verenigde Staten en Europa op defensiegebied, is het logisch dat Europa op zijn minst beschikt over een onafhankelijke commandocapaciteit om organisatorische gaten in de Europese verdediging te voorkomen.”
Andere analisten, onder wie de in Polen gevestigde geopolitiek analist Patrick Edery, hoofd van het strategisch adviesbureau Partenaire Europe, blijven sceptischer. Edery vertelde aan The Epoch Times dat de structurele obstakels voor een Europese defensie-unie onverminderd groot zijn.
“Elke keer dat je de kwestie grondig onderzoekt, kom je tot dezelfde conclusie: het kan niet”, zei hij.
Een verdeeld Europa
Een van de grootste obstakels voor een EU-leger zijn de uiteenlopende politieke belangen van de Europese regeringen.
“Elk EU-land heeft zijn eigen buitenlands beleid en zijn eigen belangen”, aldus Edery.
Hij wees op de snelle militaire steun van Polen aan Oekraïne tegenover de aanvankelijke terughoudendheid van Duitsland na de Russische invasie van 2022.

Hugo Meijer, onderzoeker bij het Franse CNRS en verbonden aan het Centrum voor Internationale Studies van Sciences Po, en Stephen G. Brooks, hoogleraar bestuurskunde aan Dartmouth College, noemen dit het probleem van de “strategische kakofonie”.
In een artikel uit 2021 in het tijdschrift International Security omschreven zij het probleem als “diepe, continentale verschillen op vrijwel alle terreinen van het nationale defensiebeleid, vooral wat betreft dreigingspercepties”. Volgens hen zit het probleem zo diep geworteld dat het overwinnen ervan “een langdurige, volgehouden en gecoördineerde inspanning” zou vereisen.
Daarom achten zij het zeer onwaarschijnlijk dat Europeanen op korte termijn een autonome defensiecapaciteit zullen opbouwen, zelfs als de Verenigde Staten zich volledig uit Europa zouden terugtrekken. Bovendien opereren Europese legers onafhankelijk van elkaar en hanteren zij verschillende inzetregels.
In de meeste EU-lidstaten is parlementaire goedkeuring vereist voor de inzet van strijdkrachten in het buitenland. Frankrijk vormt daarop een uitzondering, omdat de regering daar aanzienlijk meer ruimte heeft om militaire operaties te starten en voort te zetten zonder onmiddellijke parlementaire beperkingen.
Ook de uitrusting van de Europese legers maakt de situatie ingewikkelder. Meer dan een dozijn Europese NAVO-lidstaten gebruiken of hebben de Amerikaanse F-35-gevechtsvliegtuigen besteld. Alleen het Franse leger, als grote Europese strijdmacht, maakt er geen gebruik van.

Volgens de Brusselse denktank Bruegel heeft de Amerikaanse controle over cruciale onderdelen voor de bouw van de F-35 de Europese afhankelijkheid van de Verenigde Staten verder verankerd.
In maart uitten Duitse functionarissen hun bezorgdheid over wat zij een ingebouwde “killswitch” in de F-35 noemden. Verschillende experts stellen dat er geen hard bewijs bestaat voor zo’n mechanisme, maar wijzen erop dat Washington zo’n systeem niet nodig heeft om het gebruik van de toestellen te verhinderen. Het zou eenvoudigweg de levering van munitie en reserveonderdelen kunnen stopzetten.
Het bestaan van een killswitch is “waarschijnlijk onzin”, aldus Brandon J. Weichert, senior redacteur nationale veiligheid en auteur van Winning Space: How America Remains a Superpower.
“In werkelijkheid zit de echte killswitch in de volledige afhankelijkheid van Amerikaanse defensiebedrijven voor software, onderhoud en dataverbindingen die noodzakelijk zijn voor de effectieve inzet van deze gevechtsvliegtuigen van de vijfde generatie”, schreef Weichert in januari in The National Interest.
Daarnaast is er nog de kwestie van een gezamenlijke commandostructuur.
Bergmann stelde dat de EU een eigen hoofdkwartier zou kunnen ontwikkelen dat zowel de Europese strijdmacht aanstuurt als de hoogste Europese autoriteit boven de nationale legers vormt.

Edery wijst er echter op dat “geen enkele Europese generaal vandaag is opgeleid om een leger van 1 miljoen, of zelfs 500.000 soldaten van verschillende nationaliteiten aan te voeren”. Ook voorstanders van een Europees leger erkennen de omvang van het politieke en bureaucratische werk dat zo’n project zou vergen.
In een rapport dat vorige maand werd gepubliceerd en werd ondertekend door onder anderen Thomas Enders, voormalig topman van Airbus en tegenwoordig voorzitter van de Duitse Raad voor Buitenlandse Betrekkingen, en econoom Moritz Schularick van het Kiel Instituut voor de Wereldeconomie, wordt geschat dat Europa het grootste deel van zijn militaire tekorten zou kunnen wegwerken met ongeveer 50 miljard euro per jaar gedurende een periode van tien jaar. Tegelijkertijd erkennen de auteurs dat de inspanning vergelijkbaar is met een “Manhattanproject”.
Volgens hen gaat het om een opdracht “die een geconcentreerde politieke wil, gecoördineerde mobilisatie van middelen en een institutionele slagkracht vereist die vergelijkbaar is met historische grootschalige programma’s voor technologische en industriële mobilisatie”.

Bergmann stelt dat de opbouw van “een meer samenhangende strijdmacht” zou betekenen dat de niet-frontlinielanden van de EU onder toezicht van Brussel worden aangemoedigd om óf bij te dragen aan een Europese strijdmacht in plaats van hun eigen leger verder uit te bouwen, óf hun strijdkrachten volledig te integreren in een gemeenschappelijk leger.
Volgens hem zouden de lidstaten daarnaast 1 procent van hun bruto binnenlands product kunnen storten in een gezamenlijk EU-fonds ter ondersteuning van die strijdmacht, terwijl ze ook personeel en bestaand materieel leveren.
De voorbije jaren heeft de EU nieuwe bevoegdheden ontwikkeld om de Europese defensie-industrie te ondersteunen en te versterken.
Sinds 2017 lanceerde de Unie een reeks programma’s om gezamenlijke defensieprojecten tussen lidstaten te financieren. Daaronder vallen het Europees Defensiefonds — het vlaggenschipprogramma voor gezamenlijke defensieonderzoeken en -ontwikkeling, goed voor ongeveer 1 miljard euro per jaar tot 2027 — en ReArm Europe, het grote defensie-investeringsinitiatief van de Europese Commissie, dat tegen 2030 tot 800 miljard euro aan extra defensie-uitgaven wil mobiliseren.
Hoewel voorstanders van verdere Europese integratie deze initiatieven als een stap vooruit beschouwen, wijzen zij tegelijk op verschillende tekortkomingen.
De denktank Bruegel merkt op dat ReArm Europe vrijwel volledig gericht is op nationale uitgaven en nationale uitvoering, in plaats van op de ontwikkeling van Europese publieke defensiegoederen en capaciteiten die op EU-niveau worden gefinancierd en beheerd. Daardoor draagt het volgens Bruegel weinig bij aan een betere Europese coördinatie.

Oekraïne als voorbeeld in de praktijk
Het conflict met Iran, dat eind februari begon, stelde de relatie tussen Europa en de Verenigde Staten op de proef. Volgens sommigen was de Europese afhankelijkheid van Amerikaanse middelen echter al jaren eerder duidelijk geworden.
Meer bepaald, aldus Edery, heeft de oorlog in Oekraïne in real time blootgelegd hoe sterk Europa afhankelijk blijft van Amerikaanse capaciteiten.
De Oekraïense strijdkrachten steunen op de Amerikaanse Starlink-satellietterminals voor communicatie op het slagveld, doelbepaling en drone-operaties. Daarnaast zijn ze afhankelijk van wapens en inlichtingen die door Washington worden geleverd of mogelijk gemaakt.
“Als de Amerikanen stoppen met het leveren van de wapens die de Europeanen vervolgens aan Kyiv doorgeven, dan wint Rusland. Als ze de inlichtingen afsluiten, wint Rusland”, zei hij tegen The Epoch Times.
Starlink, de snelle internetdienst van SpaceX, was volgens Edery een “echte gamechanger” voor Oekraïne.
Ook SpaceX-topman Elon Musk heeft het belang van Starlink voor Kyiv meermaals benadrukt.
“Mijn Starlink-systeem vormt de ruggengraat van het Oekraïense leger”, schreef hij op X in maart 2025. “De volledige frontlinie zou instorten als ik het uitschakel.”

De Oekraïense regering heeft ondertussen belangstelling getoond voor Europese satellietprojecten, waaronder GOVSATCOM, een EU-initiatief dat satellietcapaciteit van lidstaten en bedrijven bundelt om diensten aan overheden te leveren.
Achter de schermen erkennen sommige Oekraïense functionarissen echter dat de bestaande alternatieven voor Starlink beperkingen hebben die tijd en geld vergen om te overwinnen.
Arthur de Liedekerke, directeur Europese zaken bij het Brusselse politieke adviesbureau Rasmussen Global, verklaarde in een interview met Euronews in april 2025 dat hij niet denkt dat GOVSATCOM de connectiviteit kan bieden die Oekraïne op het slagveld nodig heeft. Voorlopig blijft het immers een beveiligde satellietcommunicatiedienst voor EU-overheden.
Ook de Oekraïense president Volodymyr Zelensky heeft benadrukt dat Kyiv zijn oorlog tegen Rusland niet kan winnen zonder Amerikaanse steun.
“Als we spreken over de vraag of we kunnen winnen zonder Amerikaanse steun, dan is het antwoord nee”, zei hij in december 2025.
“Zonder Amerikaanse steun kunnen we ons luchtruim niet verdedigen. Zelfs nu is dat al bijzonder moeilijk. Amerikaanse steun met raketten voor luchtverdediging is echt waardevol en krachtig.
“Natuurlijk kunnen we niet winnen.”
Gepubliceerd door The Epoch Times (5 juni 2026): Why a European Army, Without NATO, Remains Out of Reach





