China heeft zojuist zijn Two Sessions — de grootste politieke bijeenkomst van het jaar — afgerond, waarbij Peking een groeidoel voor 2026 vastlegde van 4,5 tot 5 procent, het laagste doel sinds 1991.
Jarenlang stelde Peking stabiele groeidoelen vast om stabiliteit uit te stralen. Analisten vertelden The Epoch Times dat de lagere verwachtingen wijzen op een dieper probleem: de economie kan veel zwakker zijn dan de officiële cijfers van het bruto binnenlands product (bbp) doen vermoeden.
De waarschuwingssignalen zijn volgens analisten al zichtbaar in de data die het regime niet eenvoudig kan aanpassen: dalende belastinginkomsten, opnieuw een scherpe terugval in inkomsten uit grondverkopen, een aanhoudende malaise op de vastgoedmarkt, zwakke particuliere investeringen, matige consumentenvraag. Zo zijn er nog meer cijfers die Peking heeft aangepast, vertraagd of helemaal niet meer publiceert.
“Toen Peking zijn groeidoel voor 2026 verlaagde naar 4,5 tot 5 procent, deed het meer dan alleen de verwachtingen temperen”, zei de in de VS gevestigde Chinese econoom Li Hengqing tegen The Epoch Times. “Het was een stille erkenning dat de vertraging in China niet langer een tijdelijke dip is die met één net bbp-cijfer kan worden verhuld.”
De beste manier om de Chinese economie te lezen, aldus Li, is niet te vragen of elk officieel cijfer waar of onwaar is, maar welke cijfers het moeilijkst glad te strijken zijn.
Volgens die maatstaf is het beeld somber.
Een lager doel en een sterker signaal
Economen en analisten twijfelen al langer aan de betrouwbaarheid van China’s officiële bbp-cijfers. Die twijfels zijn de afgelopen jaren toegenomen, doordat zichtbare spanningen in de economie botsen met groeicijfers die telkens precies op de doelstelling uitkomen.
Officiële cijfers zetten de bbp-groei op 5 procent in zowel 2024 als 2025 — exact volgens het doel van Peking. Sommige externe schattingen suggereren echter dat het regime de groei met 2 tot 3 procentpunten heeft overschat.
De Rhodium Group, een denktank uit New York, schatte de werkelijke bbp-groei van China in 2025 op ongeveer 2,5 tot 3 procent, met een verwachte groei van 1 tot 2,5 procent voor 2026. De Zwitserse bankgroep UBS ging uit van 3,4 procent groei voor 2025 en 3 procent voor 2026.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) stelde dat de binnenlandse particuliere vraag zwak bleef, de inflatie gemiddeld op nul uitkwam en de bbp-deflator — een brede maatstaf voor prijzen in de hele economie — verder daalde.
De groei werd volgens het IMF vooral gedragen door export en stimuleringsmaatregelen van de overheid.
Chinese functionarissen noemden de onvoldoende binnenlandse vraag openlijk een “groot probleem” en riepen op tot actie.
“De kloof is moeilijk te negeren”, zei Li, die opmerkte dat deze verschillen niet stroken met een groei van 5 procent.
Gao Shanwen, een vooraanstaand econoom bij het Chinese staatsbedrijf SDIC Securities, zei op een conferentie in Washington in december 2024 dat de bbp-groei van China “waarschijnlijk gemiddeld rond de 2 procent” lag in de afgelopen twee tot drie jaar, hoewel het officiële cijfer rond de 5 procent schommelde.
“We weten niet wat het werkelijke groeicijfer van China is — en mogelijk stelt hetzelfde probleem zich ook met andere cijfers”, zei hij.
Moeilijker te verbergen cijfers
De meer veelzeggende signalen zitten niet in het officiële groeicijfer, maar in het geld dat daadwerkelijk door de economie stroomt, zei de in de VS gevestigde econoom Davy J. Wong tegen The Epoch Times.
De inkomsten van de algemene overheidsbegroting van China daalden in 2025 met 1,7 procent. De inkomsten uit grondverkopen van lokale overheden — een belangrijke bron van inkomsten voor lokale autoriteiten — daalden met nog eens 14,7 procent, het vierde opeenvolgende jaar van krimp. Daarnaast stelde de Wereldbankgroep vast dat de totale fiscale inkomsten zwak bleven en dat de opbrengsten uit vennootschapsbelasting met 3,1 procent daalden door krimpende winstmarges.
“Een overheid kan een groeiverhaal vormgeven”, zei Wong. “Het is veel moeilijker om tegelijk zwakke belastinginning, dalende inkomsten uit grondverkopen en lagere winstgerelateerde belastingopbrengsten te verklaren.”
Een dergelijke zwakte is zichtbaar in de private economie.
Investeringen in vaste activa, zoals gebouwen en machines, daalden in 2025 met 3,8 procent, terwijl particuliere investeringen met 6,4 procent terugvielen, volgens het Chinese nationale statistiekbureau.

Maand-op-maandcijfers laten hetzelfde patroon zien. De seizoengecorrigeerde reeks voor investeringen in vaste activa van het statistiekbureau was in elke maand van 2025 negatief. Ook de detailhandelsverkopen daalden op maandbasis in juni, juli, september, november en december. In april 2025 injecteerde de staat 520 miljard yuan (ongeveer 65 miljard euro) in vier grote banken als onderdeel van een stimuleringspakket dat in 2024 werd aangekondigd.
“Dat is een opvallende ingreep voor een economie die geacht wordt stabiel met 5 procent te groeien”, zei Li.
Volgens Wong wijzen deze cijfers niet op een herstel dat zich door de binnenlandse economie verspreidt.
“Het lijkt eerder op een economie die overeind wordt gehouden door enkele sectoren, staatssteun en export — terwijl de private economie daaronder zwak blijft”, zei hij.
De Wereldbankgroep kwam tot een vergelijkbare conclusie in haar beoordeling van de stimuleringsmaatregelen van Peking. Zij schatte de begrotingsimpuls op ongeveer 1,6 procent van het bbp in 2025, maar stelde dat slechts zo’n 0,5 procent rechtstreeks bij huishoudens terechtkwam, terwijl het grootste deel via overheidsinvesteringen liep.
Het rapport vermeldt ook dat de vraag naar krediet in de private sector zwak bleef, ondanks een soepeler monetair beleid. Huishoudens werden afgeremd door tragere inkomensgroei, dalende huizenprijzen en een schuldenlast die gelijkstaat aan 139 procent van het besteedbaar inkomen.
Ook de woordkeuze van Peking zelf ondergraaft de officiële cijfers. De Chinese leider Xi Jinping heeft opgeroepen tot sneller optreden om de zwakke binnenlandse vraag aan te pakken, vooral de consumptie. Een andere hoge functionaris zei dat het stimuleren van de binnenlandse vraag in 2026 de hoogste prioriteit krijgt.
Tegelijkertijd hebben toezichthouders beloofd de zogenoemde “involutionaire” concurrentie en “wanordelijke prijzenoorlogen” aan te pakken in sectoren zoals de auto-industrie.

“Involutionaire” concurrentie verwijst naar moordende rivaliteit waarbij bedrijven jagen op beperkte vraag via prijsverlagingen, overproductie en imitatie — wat de winsten uitholt zonder echte groei te creëren.
“Als je de slogans weglaat, is de boodschap duidelijk”, zei Li. “Bedrijven verlagen de prijzen te agressief, huishoudens geven te weinig uit en de leiding weet dat de groei te afhankelijk is van aanbod.”
De neerwaartse demografische trend in China zet de economie verder onder druk. De bevolking kromp in 2025 met 3,39 miljoen, met 7,92 miljoen geboorten en 11,31 miljoen sterfgevallen.
Een krimpende bevolking veroorzaakt niet van de ene op de andere dag een economische vertraging, maar maakt aanpassingen veel moeilijker in een economie die al worstelt met schulden, zwakke vraag en dalend vertrouwen, aldus Wong.
De vastgoedcrisis
De vastgoedmarkt blijft een van de grootste remmen op de Chinese groei.
In 2025 daalden de investeringen in vastgoed met 17,2 procent. Het aantal nieuw gestarte woningen nam af met 20,4 procent, terwijl de verkoopwaarde met 12,6 procent terugviel. Ook de financiering van projectontwikkelaars daalde met 13,4 procent, waaronder een daling van 17,8 procent in hypotheekgerelateerde middelen, volgens het Chinese nationale statistiekbureau. In december noteerden alle 70 grote en middelgrote steden die het bureau volgt nog steeds maand-op-maanddalingen in de prijzen van bestaande woningen.
Sun Kuo-Hsiang, hoogleraar internationale betrekkingen aan de Nanhua University in Taiwan, vertelde The Epoch Times dat deze cijfers wijzen op een aanhoudende malaise die de financiën van lokale overheden, het vermogen van huishoudens en het vertrouwen blijft aantasten.
De ontwikkelingen op de woningmarkt zijn nauw verweven met de bredere Chinese economie. Tijdens de boomjaren kochten projectontwikkelaars grond van lokale overheden tegen hoge prijzen — een belangrijke inkomstenbron en een signaal voor toekomstige bouwactiviteit.
Dat model begon in 2020 te wankelen, toen toezichthouders het beleid van de “drie rode lijnen” invoerden om de schuldenlast van ontwikkelaars te beperken door maxima te stellen aan schulden ten opzichte van kasmiddelen, eigen vermogen en activa. Die omslag droeg bij aan het faillissement en de ontmanteling van Evergrande, ooit de grootste vastgoedontwikkelaar van China, en verdiepte de bredere neergang.

De kredietstress die daarop volgde in 2021 werkt nog altijd door in de sector. Onderzoek van Harvard-econoom Kenneth Rogoff en IMF-econoom Yang Yuanchen schat dat vastgoed en de bijbehorende keten — bouwmaterialen, woninginrichting en aanverwante diensten — goed zijn voor ongeveer een kwart tot een derde van het Chinese bbp.
Wanneer huizenprijzen dalen en de bouw vertraagt, verspreiden de effecten zich door de hele economie — van staal en cement tot huishoudelijke apparaten, makelaars en dienstverlenende banen.
De impact is ook direct. Chinese huishoudens hebben een groot deel van hun vermogen in vastgoed zitten, waardoor dalende huizenprijzen hun balansen verzwakken en hun bereidheid om te besteden afneemt.
De neergang op de vastgoedmarkt heeft sommige gegevens ook gevoeliger gemaakt. China publiceert geen officieel leegstandspercentage voor woningen, en analisten proberen al lange tijd te achterhalen in hoeverre projectontwikkelaars te veel hebben gebouwd.
In 2022 publiceerde het Beike Research Institute, een Chinese denktank, een rapport waaruit bleek dat de gemiddelde leegstand in 28 Chinese steden hoger lag dan in de Verenigde Staten, Canada, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk — een aanwijzing voor overaanbod. Het rapport trok veel aandacht vanwege het ontbreken van officiële data.
Enkele dagen later trok Beike het rapport in en bood het excuses aan, met de mededeling dat sommige gegevens onjuist waren. Sun suggereerde dat het rapport onder druk van Peking werd teruggetrokken.
Het probleem van ontbrekende data
Sinds ten minste 2022 zijn de Chinese autoriteiten gestopt met het publiceren van honderden datastromen die eerder door onderzoekers en investeerders werden gebruikt, waaronder cijfers over grondverkopen, buitenlandse investeringen, werkloosheid, woningleegstand, crematies, ondernemersvertrouwen, sojasausproductie en vaccinatiegegevens.
In de meeste gevallen hebben de autoriteiten niet uitgelegd waarom deze gegevens zijn verwijderd of achtergehouden.

De ontbrekende cijfers hebben vaak betrekking op politiek gevoelige domeinen, vooral de woningmarkt. Die verschuiving komt op een moment dat de vastgoedcrisis miljarden euro’s aan huishoudelijk vermogen heeft weggevaagd en protesten heeft uitgelokt van gefrustreerde huizenkopers.
De aanpak van de jeugdwerkloosheid is een ander voorbeeld van verdwenen cijfers.
In juni 2023 bereikte de officiële jeugdwerkloosheid in China een record van 21,3 procent. Rond dezelfde tijd trok de econoom en hoogleraar Zhang Dandan van de Universiteit van Peking nationaal de aandacht door te stellen dat het werkelijke cijfer wel 46,5 procent kon bedragen.
In augustus van dat jaar maakten de autoriteiten bekend dat ze de publicatie van jeugdwerkloosheidscijfers zouden opschorten, met als reden dat de berekeningsmethode moest worden herzien. Vijf maanden later publiceerde Peking een nieuwe reeks, waarin de jeugdwerkloosheid werd vastgesteld op 14,9 procent.
Volgens de autoriteiten sluit het herziene cijfer bijna 62 miljoen voltijdstudenten uit, met het argument dat zij niet als werkloos moeten worden beschouwd. Wong merkte echter op dat in de gangbare statistische praktijk iedereen die actief werk zoekt wordt meegeteld, inclusief studenten.
Ter vergelijking: het gemiddelde jeugdwerkloosheidspercentage van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling bedroeg 11,2 procent in juli 2025, met 10,8 procent in de Verenigde Staten en 4,1 procent in Japan.
Waarom er twijfel is over officiële cijfers
In 2007 zei de voormalige Chinese premier Li Keqiang tegen de Amerikaanse ambassadeur dat de bbp-cijfers uit een provincie die hij bestuurde “door mensen gemaakt” waren en daarom onbetrouwbaar, zo bleek uit een gelekte Amerikaanse diplomatieke nota. In plaats daarvan vertrouwde hij op elektriciteitsverbruik, spoorvracht en nieuwe bankleningen om de werkelijke economische activiteit te beoordelen.

Officiële bbp-cijfers waren “alleen ter referentie”, zou de toenmalige premier hebben gezegd.
Volgens Wong raakt die opmerking de kern van het probleem in het Chinese statistische systeem: de cijfers dienen vaak een politiek doel.
“In China zijn statistieken niet alleen een technische kwestie”, zei Wong. “Ze zijn ook een kwestie van bureaucratische prikkels en tegelijk een politieke opdracht van de centrale autoriteiten om de legitimiteit van het bestuur te behouden.”
Lokale functionarissen hebben sterke redenen om de cijfers gunstiger voor te stellen, zei hij, omdat economische prestaties al lange tijd gekoppeld zijn aan politieke beoordeling, promotie en verantwoording. Wanneer Peking duidelijke doelen stelt voor groei, werkgelegenheid en stabiliteit, is de veiligste keuze voor lokale overheden vaak niet om de volledige omvang van problemen te rapporteren, maar om de cijfers binnen een “aanvaardbare marge” te brengen.
Dat verklaart volgens hem waarom analisten sceptisch zijn wanneer de officiële groei exact op de doelstelling uitkomt. De gerapporteerde bbp-groei van China van 5 procent in 2024 kwam precies overeen met het doel van de overheid.
“Al vóór het jaar begint, hebben ze hun economische prestatie over het hele jaar al ‘nauwkeurig voorspeld’”, zei Li Hengqing.
“Zoiets hoor je vrijwel nergens anders ter wereld — het is echt uniek”, voegde hij toe.
“Economische groei moet in de werkelijkheid tot stand komen; je kunt die niet simpelweg verzinnen of opschrijven. Maar in China bestaat dat onderscheid eigenlijk niet. Deze cijfers zijn in wezen geconstrueerd.”

Hij zei dat hij heeft gezien hoe dat proces werkt.
“Data ontstaan op lokaal niveau — gemeenten rapporteren aan districten, districten aan steden, steden aan provincies en uiteindelijk aan het nationale statistiekbureau”, zei hij.
Op het laagste niveau rapporteren bedrijven hun productie en omzet, maar krijgen ze te horen dat die cijfers niet aan belastingen zijn gekoppeld, waardoor ze zich vrij voelen om ze op te blazen.
Als de cijfers onder de doelstellingen blijven — zoals het groeidoel van 5 procent — worden ze teruggestuurd voor “hercontrole”, wat in de praktijk neerkomt op het naar boven bijstellen ervan, zei Li Hengqing.
“Iedereen begrijpt het spel: pas de cijfers aan totdat ze aan de verwachtingen voldoen”, zei hij.
Volgens hem worden de cijfers op die manier laag voor laag opgeblazen door de hele keten heen.
Hij wees ook op eerdere gevallen waarin provincies grote vertekeningen hebben toegegeven. Binnen-Mongolië erkende bijvoorbeeld in 2018 dat het fiscale en industriële data met tot wel 40 procent had opgeblazen. De provincie Liaoning gaf in 2017 toe dat zij haar economische cijfers met meer dan 20 procent had overdreven.
Reuters and Gu Xiaohua hebben bijgedragen aan dit verslag.
Gepubliceerd door The Epoch Times (2 april 2026): China’s Deepening Economic Problems





