Sunday, 16 Jun 2024
Xu Xinyang (R), een 17-jarig meisje wiens vader (foto) stierf als gevolg van de martelingen die hij in China onderging vanwege zijn geloof in Falun Gong, spreekt op het forum "Verslechtering van de mensenrechten en de Tuidangbeweging in China", naast haar moeder Chi Lihua op het Congres in Washington op 4 dec 2018. (Samira Bouaou/De Epoch Times)

Vertekende berichtgeving van New York Times over misstanden CCP kost waarschijnlijk levens

De uitgeverij negeerde ernstige mensenrechtenschendingen van de CCP tegen Falun Gong en herhaalde propaganda van het regime tegen de vervolgde groep, aldus een nieuw rapport.

Volgens een nieuw verslag heeft The New York Times grote delen van de mensenrechtenschendingen in China genegeerd, gebagatelliseerd of verkeerd weergegeven. Het verslag stelt dat de schendingen van de krant tegen de journalistieke integriteit waarschijnlijk levens hebben gekost door het beleidsdebat scheef te trekken en de ontmenselijkende propaganda van het regime te steunen.

“Niet alleen wordt de benarde situatie van de slachtoffers meestal met stilte en onverschilligheid behandeld, maar wat nog schadelijker is – als er al verslag van wordt gedaan – zijn de artikelen doorspekt met onjuiste voorstellingen, onnauwkeurigheden en regelrechte vijandigheid, wat getuigt van een schokkende mate van onprofessionaliteit en vooringenomenheid,” staat in het verslag dat op 21 maart is uitgebracht door het Falun Dafa Informatie Centrum (FDIC), een non-profit organisatie die zich inzet voor het monitoren van de vervolging van mensen die Falun Gong beoefenen in China.

Falun Gong, een spirituele praktijk die bestaat uit oefeningen met langzame bewegingen en de principes van waarachtigheid, mededogen en verdraagzaamheid, was in 1999 het doelwit van eliminatie door de Chinese Communistische Partij (CCP), nadat uit een onderzoek van de overheid was gebleken dat meer mensen Falun Gong beoefenden dan dat er lid waren van de Partij.

Ondanks haar zelfbenoemde deskundigheid in het interpreteren van ontwikkelingen in China, was de berichtgeving van The New York Times over de Falun Gong-situatie “beschamend,” aldus het verslag.

Vergelijking van het aantal artikelen van The New York Times over Falun Gong met het aantal artikelen over Tibetanen en Oeigoeren van 2009 tot 2023, volgens een verslag van het Falun Dafa Informatie Centrum.

“Het effect van de verdraaide berichtgeving van de Times en de onverantwoordelijke behandeling van Falun Gong-beoefenaars als ‘onwaardige slachtoffers’ heeft bijgedragen aan de straffeloosheid die de daders genieten en heeft hun slachtoffers beroofd van vitale internationale steun, wat ongetwijfeld heeft geleid tot meer lijden en verlies van mensenlevens in China zelf,” aldus het verslag.

Dat wil niet zeggen dat de krant de mensenrechtenschendingen van de CCP in het algemeen heeft genegeerd, aldus het verslag. Als het ging om etnische minderheden zoals Tibetanen en Oeigoeren, heeft de New York Times aanzienlijke middelen, aandacht en ruimte in de kolommen besteed aan dergelijke berichtgeving.

“Maar als het verhaal over Falun Gong gaat, is het perspectief van de krant opvallend anders,” zegt het.

De New York Times deed de conclusies van het verslag af als “pertinent onjuist.”

Propaganda napraten

In de afgelopen 25 jaar was de meerderheid van de berichtgeving van The New York Times over Falun Gong negatief of onnauwkeurig, met het veelvoorkomende gebruik van denigrerende etiketten die de anti-Falun Gong propaganda van de CCP weerspiegelen, aldus het verslag.

De krant beschreef Falun Gong in tientallen artikelen als “kwade cultus”, “kwade sekte” of “sekte.”

In sommige gevallen merkte de krant op dat het label “sekte” afkomstig was van de CCP, maar zonder verdere uitleg over de vraag of dit waar is of niet. In andere gevallen gaf de krant het label in eigen woorden.

Experten op het gebied van Chinese religie, mensenrechtenonderzoekers en zelfs journalisten die hebben geprobeerd om het label op zijn juistheid te beoordelen, kwamen tot de conclusie dat het ongegrond is.

Ian Johnson, die in 2000 een reeks verslagen over Falun Gong schreef voor The Wall Street Journal, merkte op dat de praktijk niet voldoet aan veel gangbare definities van een sekte.

“De leden trouwen buiten de groep, hebben vrienden buiten de groep, hebben een normale baan, leven niet geïsoleerd van de samenleving, geloven niet dat het einde van de wereld nabij is en geven geen grote sommen geld aan de organisatie. Het belangrijkste is dat zelfmoord niet wordt geaccepteerd, evenmin als fysiek geweld,” schreef hij.

“Falun Gong is in de kern een apolitieke, naar binnen gerichte discipline, met als doel jezelf spiritueel te reinigen en je gezondheid te verbeteren.”

De New York Times publiceerde in zijn editie van 25 november 2018 een katern met de naam “China Rules”. Het katern bevatte gigantische Chinese karakters op een rode achtergrond en een schitterend verslag over de CCP, terwijl het tegelijkertijd de Verenigde Staten kleineerde. (Samira Bouaou/De Epoch Times)

Terwijl andere media, zoals The Washington Post en The Wall Street Journal, ter plekke onderzoek deden naar de vervolging van Falun Gong, was de eerste berichtgeving van The New York Times reactief en oppervlakkig in vergelijking daarmee, “bijna volledig vertrouwend op verklaringen van Chinese regeringsbronnen of zeer zichtbare protesten om de berichtgeving te bepalen,” aldus FDIC.

Het herhalen van de propaganda van het regime is roekeloos en gevaarlijk, aldus het verslag, waarin gewezen wordt op een rapport van Amnesty International waarin staat dat “de officiële campagne van het publiekelijk belasteren van Falun Gong in de officiële Chinese pers een klimaat van haat tegen Falun Gong-beoefenaars heeft gecreëerd, wat gewelddadigheden tegen hen kan aanmoedigen.”

Aan de andere kant bevatte slechts ongeveer 3 procent van de artikelen in The New York Times over Falun Gong de meest elementaire beschrijving van de beoefening – de kernprincipes van waarachtigheid, mededogen en verdraagzaamheid.

Het verslag belichtte twee opmerkelijke uitzonderingen op de trend van scheve berichtgeving van de krant: Andrew Jacobs, die niet langer China verslaat voor de krant, schreef een artikel in 2009 over de benarde situatie van verschillende Falun Gong-gevangenen en overlevenden van martelingen en een ander artikel in 2013, nadat een briefje van een Chinese gevangene in een werkkamp was gevonden in een Kmart-product in de Verenigde Staten.

Het aantal nieuwsberichten met een verwijzing naar gevangenschap, detentie of arrestatie in de kop of de eerste alinea in The New York Times voor artikelen over Falun Gong vergeleken met artikelen over Tibetanen en Oeigoeren van 2009 tot 2023, volgens een rapport van het Falun Dafa Informatie Centrum.

Leugens over omvang

Voordat de vervolging door de CCP begon, meldden verschillende westerse en Chinese media, waaronder The Associated Press en The New York Times, dat er 70 tot 100 miljoen beoefenaars van Falun Gong waren, waarbij de aantallen meestal werden toegeschreven door de Chinese Staats Sportadministratie. De sportadministratie voerde eind jaren negentig een uitgebreid onderzoek uit naar Falun Gong.

Falun Gong-beoefenaars zelf hadden geen manier om de cijfers te bevestigen omdat de praktijk geen lidmaatschap heeft, merkte FDIC op.

Toen de vervolging begon, had de CCP er echter belang bij om Falun Gong als marginaal af te schilderen. Er werd beweerd dat er nooit meer dan 2 miljoen beoefenaars zijn geweest. Dit aantal werd nooit gestaafd met enig bewijs.

De New York Times begon echter kritiekloos het aantal van 2 miljoen te gebruiken. De krant ging nog een stap verder en suggereerde dat het cijfer van 70 miljoen door Falun Gong verzonnen was, waarbij ze zelfs haar eigen berichtgeving van slechts een paar jaar daarvoor negeerde, zoals het FDIC-verslag documenteerde.

Beoefenaars van Falun Gong doen oefeningen in Guangzhou, China, voordat de vervolging begon in juli 1999. Op het spandoek staat “Falun Dafa gratis oefenplaats.” (ClearWisdom.net.)

In 2002 verklaarde The New York Times dat Falun Gong “verpletterd” was en dus geen nieuwswaardig onderwerp. Maar dat bleek alleen maar nog meer propaganda van de CCP te zijn.

De in Washington gevestigde non-profit organisatie Freedom House schatte in 2017 dat er in China 7 miljoen tot 20 miljoen Falun Gong-beoefenaars waren.

“Ondanks een 17 jaar durende campagne van de Chinese Communistische Partij (CCP) om de spirituele groepering uit te roeien, blijven miljoenen mensen in China Falun Gong beoefenen, waaronder veel mensen die de discipline zijn gaan beoefenen nadat de onderdrukking begon. Dit is een opvallend falen van het veiligheidsapparaat van de CCP,” aldus het verslag.

Naarmate er meer bewijs kwam van de wreedheden tegen Falun Gong, negeerde The New York Times het, volgens de FDIC.

In 2016 ontmoette Didi Kirsten Tatlow, verslaggever bij de New York Times, verschillende Chinese transplantatieartsen en luisterde hun gesprekken af waarin ze suggereerden dat gewetensgevangenen in China werden gebruikt als bron van organen voor transplantaties. Tegen die tijd hadden sommige mensenrechtenadvocaten en -onderzoekers al substantieel bewijs verzameld dat erop wees dat de CCP inderdaad gewetensgevangenen vermoordde om haar bloeiende transplantatie-industrie draaiend te houden, en dat het primaire doelwit Falun Gong-beoefenaars waren.

Nadat ze twee artikelen had geschreven over de controverses rond orgaantransplantaties in China, waarin ze de kwestie van gedwongen orgaanoogst aanstipte, wilde mevr. Tatlow de zaak verder onderzoeken, maar ze zei dat ze werd geblokkeerd door haar redacteuren.

Een vrouw loopt langs het gebouw van de New York Times in New York City op 31 aug. 2021. (Samira Bouaou/De Epoch Times)

“Ik had de indruk dat de New York Times, mijn toenmalige werkgever, niet blij was dat ik deze verhalen over misbruiken bij orgaantransplantaties naar voren bracht, en na aanvankelijk mijn inspanningen te hebben getolereerd, maakten ze het me onmogelijk om door te gaan,” zei ze in een getuigenis uit 2019 voor het China Tribunaal, een onafhankelijk panel van deskundigen dat het bewijs van gedwongen orgaanoogst onderzocht.

Het Tribunaal concludeerde in juni 2019 dat “het gedwongen oogsten van organen jarenlang in heel China op grote schaal had plaatsgevonden en dat Falun Gong-beoefenaars één – en waarschijnlijk de belangrijkste – bron van organen waren.”

De definitieve uitspraak van het panel leidde tot een spervuur van media-verslagen in The Guardian, Reuters, Sky News, de New York Post en tientallen andere.

“De New York Times hield zich echter stil,” merkte de FDIC op.

Percentage artikelen over Falun Gong door The New York Times die onnauwkeurig of negatief van toon zijn, volgens een verslag van het Falun Dafa Informatie Centrum.

Vijandig

In de afgelopen jaren werd de krant “openlijk vijandig” over Falun Gong.

In 2020 speelde de krant in op de anti-racisme vurigheid van die tijd door te beweren dat Falun Gong interraciale huwelijken verbood – een duidelijke leugen, aangezien interraciale huwelijken juist gebruikelijk zijn onder Falun Gong-beoefenaars.

In artikelen werd Falun Gong ook afgeschilderd als “geheimzinnig”, “extreem” en “gevaarlijk” zonder de moeite te nemen de beweringen te staven, aldus het verslag.

De wreedheid van de vervolging werd daarentegen gebagatelliseerd als louter “beschuldigingen”. De inspanningen van Falun Gong om dit tegen te gaan werden gekarakteriseerd als een “publiciteitscampagne”.

Een artikel uit 2020 verdoezelde de decennialange bloedige onderdrukking met één zin: “De groep … beschuldigt de CCP van het martelen van Falun Gong-beoefenaars en het oogsten van de organen van geëxecuteerden.”

De vervolging is in feite uitgebreid gedocumenteerd, onder andere in tientallen verslagen van de Verenigde Naties, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, Amnesty International en Freedom House, aldus de FDIC.

Rep. Zachary Nunn (R-Iowa) spreekt tijdens een hoorzitting over het gedwongen oogsten van organen door de Chinese Communistische Partij (CCP) voor de Congressional-Executive Commission on China in Washington op 20 maart 2024. (Madalina Vasiliu/De Epoch Times)

De Epoch Times heeft vernomen dat The New York Times momenteel werkt aan een artikel tegen Shen Yun Performing Arts, een klassiek Chinees dans- en muziekgezelschap dat is opgericht door Falun Gong-beoefenaars.

Shen Yun is al lang een doorn in het oog van Peking, door de vervolging van Falun Gong af te beelden in sommige van haar dansstukken en door openlijk te verklaren dat haar optredens het “China van voor het communisme” voorstellen.

“Een artikel in de New York Times over het gezelschap zal voor de CCP waarschijnlijk een droom zijn die uitkomt,” aldus Larry Liu, plaatsvervangend directeur van de FDIC.

Contrast

De manier waarop de New York Times Falun Gong behandelt, staat in contrast met de manier waarop de Times omgaat met enkele andere mensenrechtenschendingen in China, met name de vervolging van Tibetanen en de Oeigoerse moslimminderheid in Xinjiang, aldus het FDIC-verslag.

Tussen 2009 en 2023 publiceerde de krant meer dan 200 artikelen over de Oeigoerse kwestie, meer dan 300 over Tibet en 17 over Falun Gong.

Ook de kwaliteit van de berichtgeving liep sterk uiteen. Over Tibetanen en Oeigoeren berichtte de krant uitgebreid over de onderdrukkingsmethoden, de omstandigheden in detentiecentra en de verhalen van individuele slachtoffers. De berichtgeving werd ondersteund door tientallen redactionele artikelen of opiniestukken.

In dezelfde periode publiceerde The New York Times geen redactionele artikelen, geen opiniestukken, geen columns, zelfs geen ingezonden brief over de vervolging van Falun Gong.

“Dit is niet omdat er geen pogingen tot indiening zijn gedaan,” merkte de FDIC op.

“Verhalen over Tibetanen en Oeigoeren verdienden een dergelijke berichtgeving en internationale aandacht, maar brachten risico’s met zich mee voor verslaggevers en bronnen van de Times,” aldus het verslag.

“Vanuit dit perspectief is het contrast met de berichtgeving van de krant over Falun Gong groot. Zelfs wanneer de Times over de vervolging van Falun Gong berichtte, ontbrak het meestal aan de humaniserende, persoonlijke focus die in de bovenstaande voorbeelden wel zichtbaar is.”

Maria Case, woordvoerster van de New York Times, noemde de conclusies van het verslag “pertinent onjuist.”

“We hebben uitgebreid en onafhankelijk verslag gedaan van de Falun Gong-beweging gedurende meer dan twee decennia, inclusief het onthullen van verslagen van misbruik in Chinese werkkampen, het verslaan van het debat rond gedwongen orgaandonatie in China en het onderzoeken van de groeiende wereldwijde invloed, met name in de Amerikaanse media en politiek,” zei ze via een e-mail.

De FDIC was het niet eens met een dergelijke omschrijving.

“In ons onderzoek hebben we de berichtgeving van de New York Times zorgvuldig en grondig geanalyseerd. We ontdekten een consistent gebruik van onnauwkeurige en denigrerende etiketten die de praktijk en haar ²beoefenaars belasteren en opvallende hiaten in de berichtgeving, vooral in de afgelopen tien jaar,” zegt Levi Browde, directeur van de FDIC. “Dat is de realiteit van de berichtgeving van de krant over Falun Gong, die verre van wat redelijkerwijs ‘uitgebreid’ genoemd kan worden.”

Vergelijking van het aantal artikelen in The New York Times over Falun Gong met het cumulatieve aantal doden onder Falun Gong-beoefenaars als gevolg van de vervolging in China, volgens een verslag van het Falun Dafa Informatie Centrum.

Deugdzaamheid uitstralen

Ondanks herhaalde tegenslagen heeft The New York Times veel moeite gedaan om zijn aanwezigheid in China uit te breiden en door te dringen op de Chinese markt.

In 2001 leidde de toenmalige uitgever van The New York Times, Arthur Sulzberger Jr., een delegatie van schrijvers en redacteuren van de krant naar Peking, waar ze met de CCP onderhandelden over het deblokkeren van de website van de krant in China. Een paar dagen nadat de krant een vleiend interview met de toenmalige leider van de CCP, Jiang Zemin, had gepubliceerd, werd de website gedeblokkeerd.

Zoals The Washington Post rapporteerde, was het Jiang die persoonlijk de campagne lanceerde om Falun Gong “uit te roeien”, tegen de wens van andere topambtenaren van de CCP in.

De website van The New York Times bleef gedeblokkeerd tot 2012, toen de krant het regime boos maakte met een artikel over het familievermogen van de toenmalige premier van China, Wen Jiabao.

Ondanks de strengere mediaregels onder de huidige CCP-leider, Xi Jinping, heeft de krant kantoren in Peking en Shanghai.

Vanuit het perspectief van de gevestigde belangen van de krant in China kan kritiek op mensenrechtenschendingen in het verafgelegen Tibet of Xinjiang als relatief “veilig” worden gezien, volgens Trevor Loudon, een expert op het gebied van communistische regimes.

Het aantal opinieartikelen in The New York Times over Falun Gong vergeleken met het aantal over Tibetanen en Oeigoeren van 2009 tot 2023, volgens een rapport van het Falun Dafa Informatie Centrum.

“Dat is een soort deugdzaamheidsbetuiging – ‘zie je wel, wij staan voor mensenrechten.’ Maar dat zouden ze nooit doen met Falun Gong omdat dat de CCP echt zou beledigen. De CCP zou daar een woedeaanval over krijgen,” zei hij.

Hoewel het onthullen van misstanden tegen Tibetanen of Oeigoeren tot woede leidt in het buitenland, veroorzaakt het weinig instabiliteit in het binnenland, aldus Loudon, omdat de etnische minderheden slechts een beperkte invloed hebben in het hart van China.

“Falun Gong daarentegen is geworteld in de Chinese cultuur”, waardoor het een onmiddellijke aantrekkingskracht heeft, zei hij.

“Chinezen zullen morgen niet de Islam omarmen. Chinezen zullen het Tibetaanse boeddhisme niet aannemen. Maar miljoenen Chinezen hebben enige sympathie voor Falun Gong.”

Het is ook makkelijker voor de CCP om propaganda te maken tegen etnische minderheden omdat ze hen labels kan geven met duidelijke politieke dimensies. In het geval van Tibetanen is het etiket “separatisten”, terwijl Oeigoeren worden afgeschilderd als “terroristen.”

Beoefenaars van Falun Gong zijn echter vooral gewone Chinezen, verspreid over alle lagen van de bevolking. Hun enige politieke eis is dat het regime stopt met de vervolging, aldus Loudon.

Een Chinese politieagent benadert een Falun Gong-beoefenaar op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking terwijl hij een spandoek vasthoudt met de Chinese karakters “waarachtigheid, mededogen en verdraagzaamheid,” de kernprincipes van Falun Gong. (Met dank aan Minghui.org)

“De Chinezen kunnen niet zeggen dat Falun Gong separatisten zijn. Ze kunnen niet zeggen dat ze terroristen zijn. Ze kunnen niet zeggen dat ze politiek zijn, echt niet. Het enige wat ze kunnen zeggen is dat ze vreemd of gek zijn.”

“Als The New York Times uitgebreid verslag zou doen van Falun Gong op een humaniserende manier, zou dat een directe aanval zijn op de propagandamuur van de CCP,” zei Loudon. “En dat,” zei hij, “zou de legitimiteit van het regime op cultureel gebied in twijfel trekken.”

“De CCP beweert de erfgenaam te zijn van de Chinese cultuur. Falun Gong is daar een concurrent van en biedt een heel andere visie,” zei hij.

“Hoewel Falun Gong niet politiek is, heeft het een heel duidelijke visie op wat de echte Chinese cultuur is, niet de nepversie die de CCP graag promoot.”

‘Wat als’

Het FDIC-verslag concludeert met een aantal vragen.

“Wat als de Times het Falun Gong-verhaal eerlijk, volledig en sympathiek was blijven vertellen aan de wereld, net zoals ze dat doet voor de Oeigoeren en de Tibetanen, zelfs toen de berichten over wreedheden zich opstapelden en ondanks de groeiende invloed van de CCP op het wereldtoneel?”

“Hoeveel Chinese families zouden niet-gescheiden zijn? Hoeveel Falun Gong-beoefenaars zouden er nog in leven zijn?”

“Meer in het algemeen,” stelt het verslag, “als de krant, met haar unieke agendabepalende invloed, de Falun Gong-kwestie in zijn volle omvang had behandeld, zou dat dan hebben geleid tot een meer doortastende internationale actie om deze misstanden tegen te gaan en de excessen van de CCP in te tomen?”

“Zouden buitenlandse bedrijven en beleidsmakers zich eerder bewust zijn geworden van de risico’s van zakendoen met de CCP?” aldus de vragen van het verslag.

Origineel gepubliceerd op The Epoch Times (25 maart 2024): New York Times’ ‘Distorted’ Coverage of CCP Abuses Likely Cost Lives, Report Says

Hoe u ons kunt helpen om u op de hoogte te blijven houden

Epoch Times is een onafhankelijke nieuwsorganisatie die niet beïnvloed wordt door een regering, bedrijf of politieke partij. Vanaf de oprichting is Epoch Times geconfronteerd met pogingen om de waarheid te onderdrukken – vooral door de Chinese Communistische Partij. Maar we zullen niet buigen. De Nederlandstalige editie van Epoch Times biedt op dit moment geen betalende abonnementen aan en aanvaardt op dit moment geen donaties. U kan echter wel bijdragen aan de verdere groei van onze publicatie door onze artikelen te liken en te her-posten op sociale media en door uw familie, vrienden en collega’s over Epoch Times te vertellen. Deze dingen zijn echt waardevol voor ons.